[print]

Vroeg op in Hanoi

Ik ben mijn jetlag blijkbaar nog niet te boven. Het is half vijf en ik ben klaar wakker. Na nog een half uurtje draaien weet ik het zeker. Dit wordt niks meer.

Ik peuter de waspropjes uit mijn oren en weet gelijk weer waarom ik ze er gisteravond in had gedaan. De airco ratelt alsof er een helikopter door de kamer cirkelt.

Ik heb een haatliefde verhouding met airco’s. Als ze het al doen, en ze doen het zonder herrie, dan is het soms een zegen. Dan is het ook de enige mogelijkheid om te ontsnappen aan de vochtige hitte van zo’n 35 graden, 24 uur per dag. Een aantal keren echter hebben we de dekens uit de kast moeten halen, omdat het apparaat ‘s nachts niet te temperen bleek.

Uiteraard is een airco altijd in de buitenmuur gemonteerd en gezien de minimale afmetingen van de kamer is dat dus per definitie naast je bed. Het gevolg is dat een ijskoude wind het laken om je benen laat wapperen en dat er de hele nacht een straffe noordwester in je nek waait. Zo ben ik ook gisteravond weer een tijdje in de weer geweest. De stoel die ik er voor had gezet ten einde de luchtstroom omhoog te dwingen i.p.v. volle kracht vooruit over mijn bed, deed inderdaad wat hij moest doen. De dunne gordijnen waaiden als vlaggen horizontaal de kamer in. Nadat ik met onze waslijn en knijpers de gordijnen weer had vastgezet kon ik eindelijk gaan slapen.

Elektriciteit is duur in Vietnam. Vaak wordt daarom ongevraagd om twaalf uur de airco centraal uitgeschakeld. Om vier uur schakelt hij vervolgens met veel lawaai weer aan. De airco is dus tevens de wekker.

Iemand, bij voorkeur een Vietnamees, moet mij trouwens nog eens uitleggen waarom bijna alle airco’s die ik heb gezien zo’n vijftig centimeter boven de grond waren gemonteerd. Ik meen me van de schoolbanken van heel vroeger te herinneren dat koude lucht daalt. Je zou zeggen dat hij dan beter bovenin zou kunnen zitten. Waarschijnlijk weet ik zelf het antwoord wel. Ik heb namelijk erg vaak de indruk gekregen dat voor de Vietnamese bouwvakker de meest bewandelde weg die van de minste weerstand is. Nu we het toch over de bouw hebben. Als je in onze badkamer op blote voeten aan de wastafel je tanden staat te poetsen moet je, als je gaat spoelen, vrij snel maken dat je weg komt. De afvoer van de wastafel eindigt bij je voeten, net boven de badkamervloer en uiteindelijk moet het vuile water dan naar het lager gelegen afvoerputje uitgerekend aan de andere kant van de ruimte. Ook het douchewater moet de hele badkamer door voordat het wegloopt. Zo kun je, nadat je de wastafel of de douche hebt gebruikt ook niet meer met droge voeten naar het toilet. Droog zitten op het toilet is er na het douchen al helemaal niet bij en droog toiletpapier dus ook niet. Ik dwaal af. Ik had geconstateerd dat slapen niet meer gaat lukken.

In het halfduister van de kamer peil ik voorzichtig of mijn reis- en bedgenote toevallig, misschien, per ongeluk, ook al de slaap uit heeft. Nee dus. Er volgen enkele slaperige verwensingen in mijn richting en ik weet genoeg. Wegwezen en wel zo snel mogelijk. Ik douche me, trek mijn korte broek en polo aan en pak mijn camera en een extra fotorolletje. Zo zachtjes mogelijk klik ik de deur achter me dicht.

Op de gang is het al erg warm en op straat is het nog warmer. Om half zes ‘s morgens dus al. Hoewel, al, vergeleken met overdag zakt de temperatuur ‘s nachts hooguit een graad of vijf, heb ik me laten vertellen.

Daar sta ik dan: om half zes ‘s morgens midden in Hanoi. Hooguit dat je op dit tijdstip in Nederland een fietsende Volkskrant of Telegraaf tegenkomt. In Vietnam, of liever, in Azië heeft de morgenstond goud in de mond. Overal om me heen is het al één en al bedrijvigheid. De brommers rijden alweer massaal af en aan. Naast de ingang van het hotel zitten vrouwen op hun hurken vlees te snijden. Op de smalle trottoirs baan ik me een weg door de uitgestalde groenten, dampende soeppannen, stukken kip, varkensdarmen en grote blubberende levers. Alles met de bijbehorende geuren. Fantastisch, zo op de nuchtere maag. Verderop ruikt het iets aangenamer. Op de kleine barbecuetjes liggen gegrilde stokjes met vlees. Op zich ziet het er goed uit, maar om nu om half zes ‘s morgens al aan de saté te gaan.

Ik kom bij wat je zou kunnen noemen ‘een verplaatsbaar restaurant’. De gehele inventaris past in twee manden die aan een lange buigzame bamboelat over de schouder worden gedragen. Elke mand is ingedeeld in vakjes voor de verschillende gerechten. Het is een zeer vernuftige constructie met bovenin de pannen met de hete rijst en de soep. Op de grond staat een demontabel vuurtje. De hele negotie kan aan het eind van de dag zo door één persoon worden meegenomen: The Vietnamese Take-away in de meest letterlijke zin.

De uitbaatster zit te midden van de vele bakjes en potjes en vult de kommetjes van de gasten met rijst en groente en kruiden. Om haar heen zitten in een kring vijf vrouwen te eten. De meesten zitten op de grond. Zo zitten Vietnamese vrouwen (en ook vaak de mannen) bijna altijd: de voeten plat op de grond en de knieën als een sprinkhaan naast het lichaam omhoog gestoken. Overal zie je ze zo zitten. De vrouwen op de markt, de vrouwen in de keuken van het restaurant en de vrouwen op de bootjes.

Heel wat eettentjes hebben ons onderweg uiteindelijk niet kunnen verleiden alleen vanwege het zitcomfort. Of liever het gebrek eraan. Om een tafeltje, ongeveer 25 centimeter hoog, staan dan meestal een paar plastic minikrukjes, ongeveer net zo hoog. De krukjes blijken sterk genoeg voor een Vietnamees vrouwtje van 45 kg, maar zijn ze ook sterk genoeg voor ons dubbele gewicht? Het volgende restaurantje dat ik tegen kom zou al helemaal afvallen. Er zijn niet eens krukjes. Ook hier zit iedereen weer op de hurken. Een paar mensen zitten naast de uitgestalde zooi als ontbijt een kom noedelsoep naar binnen te slurpen.

Ik zou wel een croissantje met oude kaas lusten.

Ik loop verder en kom bij de volgende hoek. Hier heeft de fietsenmaker zijn ‘zaak’. Het aantal fietsenmakers langs een gemiddelde straat in Hanoi of Ho Chi Minh-stad is groter dan het aantal praatpalen langs de A28. In geval van pech met je fietstaxi of brommer kijk je uit naar een rechtopstaande fietspomp, een bak met water, een plastic fles met benzine en een hoop onderdelen er om heen. Onmisbaar attribuut is ook altijd het oude cilindertje waarin een vuurtje wordt gestookt om lekke banden mee dicht te branden.

Even verderop zitten twee mannen op de stoeprand. Rondom hen ligt één grote verzameling van bouten, moeren, veren en andere brommeronderdelen: een volledig gedemonteerde cilinder, de zuiger eruit en de zuigerveren en pakkingen liggen er naast op een doekje. De onderhavige brommer staat als een uitgekleed karkas aan de rand van het trottoirs. De ene man zal wel de bezitter van het vehikel zijn en de andere is dan waarschijnlijk de monteur. Ik heb vroeger wel eens heel voorzichtig een beetje aan een brommer gesleuteld, maar zover heb ik het nog nooit laten komen. Zeker niet op de grond op de hoek van de straat en overigens al helemaal niet om half zes ‘s morgens. Ze kijken even verbaasd op als ik een foto maak. Ik ben er van overtuigd dat de eigenaar over een uurtje weer op zijn Honda door de ochtendspits van Hanoi scheurt.

Als ik verder loop val ik ten prooi aan een fietstaxirijder. Mijn fout. Ik kijk hem net iets te lang aan. Enthousiast en vriendelijk groetend stevent hij recht op me af.

          ‘Hello sir.’

           ‘Hello.’

           ‘How are you?’

           ‘Fine, thank you.’

Ik maak intussen met mijn hand al een wegwuivend gebaar, maar duidelijk niet afdoende.

           ‘You want cyclo?’

           ‘No, thank you.’

Ik steek over en loop aan de andere kant terug. Hij keert zijn fiets om en vanaf de overkant gaat hij verder.

           ‘Cyclo sir?’

           ‘No, no’, gebaar ik weer.

           ‘Yes,’ glimlacht de man, ‘cyclo for you.’

           ‘No, no thank you!’

Ik ga linksaf. Nu ben ik hem kwijt. Nee dus, mooi niet. Dwars door alle voorbij en tegemoet komende brommers trapt hij rustig maar vastberaden in mijn richting. Alsof hij met elastiek aan me vast zit.

            ‘Where you go?’

            ‘Eh, nowhere in particular.’

            ‘You want cyclo?’

            ‘No, thank you.’

Ik blijf plotseling staan en met een beweging alsof ik een gevaarlijke wesp wil ontvluchten draai ik me 180om. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe hij zijn fietstaxi draait en zo’n vijf meter achter me aan blijft plakken. Ik zeg niks meer. Ik besluit hem maar te negeren.

            ‘You take cyclo,’ hoor weer ik schuin achter me.

Het begint irritant te worden.

             ‘No, I don’t take cyclo!’

             ‘Cyclo cheap for you.’

             ‘I like to walk,’ zeg ik en ik wijs ter illustratie op mijn benen.

             ‘Aha!’

Nog steeds vriendelijk lachend:

             ‘Walk is very far. Cyclo easy.’

             ‘I like walking,’ lieg ik.

Ik blijf een poosje bij een kraampje staan. Zogenaamd om wat foto’s te maken. Na wat gefrutsel in de uitgestalde koopwaar draai ik me voorzichtig weer in zijn richting. Verdomd.

             ‘I make special price for you.’

Ik voel me erg onbeschoft. Ik kijk hem niet meer aan. Ik zeg niks meer. Ik laat hem gewoon lullen, de stumper. Zo trapt hij nog twee hele blokken gelijk met me op, om vervolgens rechtsomkeer te maken. 

Veel fietstaxirijders waren ooit dokteren, journalisten of leraren die tijdens de oorlog partij kozen voor Amerika. Na de val van het Zuiden werd tienduizenden van deze mensen het burgerschap ontnomen. Voor straf, omdat ze met de vijand hadden geheuld. Ze waren van de ene dag op de andere geen Vietnamees burger meer en werden vervolgens voor minstens zeven jaar geïnterneerd in een ‘heropvoedingskamp’. Geen burgerschap betekent geen officiële residentie en geen officiële residentie betekent dat je nooit bezittingen, laat staan een bedrijf op je naam kunt hebben. Vandaar dat je als academicus, 25 jaar na dato, en voor de rest van je leven, veroordeeld bent tot het trappen van de fietstaxi. Voor de wet bestaan ze niet.

Als je rond middernacht door de straten loopt zie je ze hangen. Half zittend, half liggend, half slapend. ‘Thuis’ na een dag hard werken. ‘Thuis’ ben je dan op de hoek van de straat. Je woonkamer is je fietstaxi, je slaapkamer ook en als dat dan je thuis is, dan heb je dus ook geen gezin (meer). Je bent inderdaad veroordeeld, en wel tot levenslang. 

De regering heeft besloten geen nieuwe fietstaxi’s meer te laten registreren. Nieuwe fietstaxi’s mogen ook niet meer worden gemaakt. Uiteraard zijn er inmiddels de zgn. xe bo trang’s, de illegale fietstaxirijders met illegale nummerplaten. Per slot van rekening moet je van goeden huize komen wil je een Vietnamees zijn inkomsten ontnemen.

Nadat we dit wisten viel het ons inderdaad op dat er fietstaxirijders zijn die beter Engels spreken dan de gemiddelde Vietnamees. Regelmatig tref je er ook die je uitermate correct aanspreken. In eerste instantie zijn die ook wel opdringerig, maar daarna wijzen ze je op je kaartje beleefd de weg. Als je wilt lopen is het ook goed, maar het was te proberen.

Ontroerend vond ik de fietstaxirijder in Saigon die na mijn afwijzing zei:

            ‘I have been very unlucky today. I had nobody in my cyclo up till now.’

Het was drie uur ‘s middags. Een verkooptruc? Ik geloof er niks van. Niet zoals hij het zei. Vanaf vijf uur ’s morgens heeft hij waarschijnlijk tot vervelens toe iedereen achterna getrapt. Steeds tevergeefs. ‘I make cheap for you.’ Je zou toch zo met hem mee gaan. Ook al wil je nergens heen. Je zou hem toch zo 10.000 dong geven. 10.000 dong zijn twee á drie redelijk lange ritten voor hem. 10.000 dong is één blikje Tiger-bier voor mij.

Als Jelly en ik na het ontbijt het hotel uitstappen staat mijn stalker van een paar uur geleden aan de overkant. Een stralende lach breekt door:

            ‘You want cyclo, sir?