Ik peuter de wasdoppen uit mijn oren en weet meteen weer waarom ik ze gisteravond had ingedaan. De airco ratelt alsof er een helikopter door de kamer cirkelt.
In onze krap bemeten kamer moest de airco wel pal naast het bed worden gemonteerd. Met als gevolg dat de lakens heen en weer wapperen en, als je op bed ligt, een straffe wind in je gezicht waait. Het effect van mijn constructie met stoeltjes en badlakens was in eerste instantie dat de gordijnen, als vlaggen aan het Noordzeestrand, de kamer in wapperden. Nadat ik een tijd met stukken waslijn en knijpers in de weer ben geweest had ik de zaak onder controle.
Elektriciteit is duur in Vietnam. Vaak wordt daarom ongevraagd na middernacht de airco uitgeschakeld en gaat hij rond een uur of vier 's morgens weer aan. Als je geen oordoppen in hebt is de airco tevens de wekker.
Ik ben mijn jetlag nog niet te boven. Het is half vijf en ik ben klaar wakker. Na een halfuur draaien weet ik het zeker, dit wordt niks meer. In het halfduister probeer ik te ontdekken of mijn kamergenote toevallig ook de slaap uit heeft. Een paar slaperige verwensingen in mijn richting en ik weet genoeg. Wegwezen en zo snel mogelijk. Douchen kan straks, de camera mee en een extra rolletje. Totaal overbodig dankzij de airco, trek ik zo zachtjes mogelijk de deur achter me in het slot.
Het is half zes in de morgen en daar sta ik dan, midden in Hanoi. Hooguit dat je in Nederland op dit tijdstip de Telegraaf of de Volkskrant voorbij ziet fietsen, in Vietnam heeft de morgenstond voor iedereen goud in de mond. Om me heen is het een en al bedrijvigheid. Naast de ingang van het hotel zitten vrouwen vlees te snijden. Het houtskool in de barbecuetjes gloeit. Weliswaar heb ik nog niet ontbeten, maar de lucht van de satés staat me tegen. Het trottoir wordt in beslag genomen door dampende pannen en manden met groenten en mij onbekende vruchten. Bakken met brokken kip, darmen, blubberende levers en complete varkenskoppen. Alles met de bijbehorende geuren. Bij nader inzien rook die saté niet zo beroerd.
Op de doorgaande weg, om de hoek naast het hotel, rijden de brommers in brede onafgebroken stromen tegen elkaar in. Ik neem de eerste de beste zijstraat rechts in de hoop dat ik, als ik dat een paar keer doe, weer ongeveer op deze plek terechtkom. Misschien was het handig geweest als ik een visitekaartje van het hotel had meegnomen.
Ik kom bij, wat je zou kunnen noemen een verplaatsbaar restaurant. De hele inventaris past in twee grote manden die als de schalen van een balans aan een lange bamboelat over de schouder worden gedragen. Elke mand is ingedeeld in vakjes voor de verschillende ingrediënten. Bovenin hangen pannen met hete rijst en iets wat lijkt op soep of bouillon. Alles kan door één persoon worden meegenomen, The Vietnamese Take-away.
Op de grond staat een opvouwbaar bakje met gloeiende houtskool. De uitbaatster zit in het midden van een halve cirkel schaaltjes en pannetjes en vult voor elke klant een kom met rijst of noedels met daarbovenop een schep groenten en kruiden. Afhankelijk van de bestelling komen er stukjes kip of spekkaantjes bij en als laatste giet ze er een paar lepels hete bouillon over. Om haar heen zitten vijf vrouwen te eten. Ze zitten zoals Vietnamese vrouwen altijd zitten: op de hurken, de voeten plat op de grond en de knieën als een sprinkhaan naast het lichaam omhoog gestoken. Urenlang zie je ze in deze houding zitten, op de markt, in de keukens van de restaurants, op de bootjes.
Als ik verder loop, val ik ten prooi aan een fietstaxirijder. Mijn fout, ik kijk hem net iets te lang aan. Enthousiast stevent hij op me af.
'Hello sir!'
'Hello.'
'How are you, sir?'
'Fine, thank you,'
'You want cyclo?'
'No, thank you.'
Ik maak intussen met mijn hand een wuivend gebaar, maar niet overtuigend genoeg.
'Cyclo, sir?'
'No, no.'
Ik steek over en loop, in de hoop dat hij weg zal gaan, een eindje terug. Hij keert zijn fiets en vanaf de overkant roept hij lachend: 'Ha, yes! Cyclo for you, sir!'
'No, no, thank you.'
Op de eerstvolgende kruising ga ik linksaf. Aangezien de man vanaf de overkant van het drukke kruispunt onmogelijk bij me kan komen, ben ik hem nu tenminste kwijt. Niet dus. Dwars door alle hem voorbij en tegemoet rijdende brommers heen, trapt hij rustig maar vastberaden in mijn richting. Even later rijdt hij weer vlak naast me, alsof hij met een lang elastiek aan me vast zit. Irritant, maar ook aandoenlijk.
'Where you go, sir?'
'Eh, nowhere.' Een minder onzinnig antwoord schiet me zo gauw niet te binnen.
'You want cyclo?'
'Yes, I want a cyclo to nowhere,' grap ik.
Hij moet lachen en blijft hardnekkig achter me aan trappen. Plotseling blijf ik staan en met een beweging alsof ik een gevaarlijke wesp ontvlucht, draai ik me 180 graden om en loop terug. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe hij zijn fietstaxi draait en zo'n vijf meter achter me aan blijft plakken. Misschien moet ik hem gewoon negeren.
'Cyclo cheap for you, sir.'
Ik ben het zat en ga voor hem staan.
'I like to walk,' zeg ik en wijs ter illustratie op mijn benen.
'Aha! Walk is very far, cyclo very easy.' De man is onvermoeibaar.
'But I like walking,' lieg ik en loop zo resoluut mogelijk weg. Dit moet afdoende zijn. Ik blijf een poos bij een kraam staan, zogenaamd om een paar foto's te maken. Na wat gefrutsel in de uitgestalde koopwaar, draai ik me heel voorzichtig in zijn richting. Verdomd.
'I make special price for you.'
Ik kijk hem niet meer aan en reageer niet meer. Ik voel me onbeschoft. Ik doe net of de man lucht is en laat hem gewoon lullen, de stakker. Hij trapt nog twee hele blokken gelijk met me op om vervolgens rechtsomkeer te maken.
Veel fietstaxirijders waren ooit doktoren, advocaten, leraren of journalisten die tijdens de oorlog de kant van Amerika kozen. Het is hen duur komen te staan. Omdat ze met de vijand hadden geheuld, werd na de val van het zuiden, tienduizenden van deze mensen het burgerschap ontnomen. Ze werden voor minimaal zeven jaar geïnterneerd in zogenaamde heropvoedingskampen en van de ene op de andere dag waren ze geen Vietnamees staatsburger meer. Het betekende dat ze geen officiële residentie meer hadden en dat ze nooit een huis of andere bezittingen, en ook nooit een bedrijfje, op hun naam konden hebben.
's Nachts op straat zie je ze hangen, half zittend, half liggend en zo licht slapend dat ze onmiddellijk overeind veren als je langs loopt. Op het passagiersbankje van hun cyclo zijn ze 'thuis' na een dag hard werken. De fietstaxi is hun werkplek, de woonkamer en de slaapkamer; een badkamer en een wc hebben ze niet. Moederziel alleen zijn ze op de wereld, ze hebben levenslang gekregen. Academicus misschien, maar veroordeeld tot het trappen van een cyclo door de bloedhete straten van de stad. Voor de wet bestaan ze niet. De regering heeft jaren geleden besloten geen nieuwe fietstaxi's te registreren. Uiteraard zijn er inmiddels de xe bo trangs, de illegale cyclo's met vervalste nummerplaten. Je moet van goeden huize komen wil je een Vietnamees zijn inkomsten ontnemen.
Als we na het ontbijt het hotel uitstappen, staat mijn stalker van een paar uur geleden aan de overkant. Een stralende lach breekt door: 'Now you want cyclo, sir?'