[print]

Wandeling rond Sapa

De chauffeur van onze jeep moet constant gas geven anders slaat de motor af. Als hij remt heeft hij zijn plastic teenslipper dwars over zowel rem- als gaspedaal. Als hij wil claxonneren, en dat wil hij voortdurend, dan houdt hij twee rafelige eindjes snoer tegen elkaar.

Blindelings vist hij ze telkens van onder het dashboard vandaan en tussen de vingers van zijn linkerhand klemt hij de draadeindjes tegen elkaar, met als resultaat een hees toetertje van onder de motorkap.

Eenmaal in het dorp aangekomen moeten we ons stapvoets een weg banen door de massa mensen. Het is zaterdag en dat betekent dat er vandaag in Sapa de wekelijkse markt is. De Zwarte H’mong vrouwen zijn met hun koopwaar vanuit de wijde omgeving al massaal naar het dorp gekomen. ‘Zwart’ worden ze genoemd vanwege hun kleding, denk ik. In tegenstelling tot de veel kleurrijker Dzao vrouwen met hun paarsrode mutsen en bellen, is de outfit van de H’mong stam nogal somber. Ook hun handen zijn paarszwart van de kleurstoffen waarmee ze hun kleding en doeken verven.

Veel vrouwen dragen een kind op de rug. De kleine meisjes die voor ons uit lopen zijn moeders, maar ze lijken kinderen. De meeste schat ik niet ouder dan vijftien, maar misschien verkijk ik me er op. Steeds als we even stil staan houden ze met hun zwarte handjes ons de ringetjes en armbandjes die ze te koop hebben voor.

We zijn al wel zeven kilometer van Sapa verwijderd, maar we komen in de bergen nog steeds H’mong en Dzao groepjes tegen. Met hun manden op de rug zijn ze op weg naar Sapa. Pas vanavond laat, als het donker is zullen ze het hele eind weer terug lopen. Elke keer weer moeten ze kilometers sjouwen om in Sapa twee armbandjes of een paar bananen te verkopen.

De chauffeur zet ons af bij de rivier. Globaal heeft hij de richting aangegeven waarin we moeten lopen en waar hij ons over enkele uren weer zal oppikken. Als hij wegrijdt hoop ik dat hij dezelfde plaats en tijd in gedachten heeft als wij.

We glibberen over de smalle kleipaadjes tussen de rijstvelden door naar de hutten in de verte. Als de kinderen van het dorp ons eenmaal in de gaten hebben komen ze enthousiast op ons af rennen. Als betrof het de intocht van Sinterklaas, zo worden we in het dorpje onthaald. Eén van de kinderen neemt me vastberaden bij de hand. We moeten mee naar die ene hut, de hut waar hij woont. Vader staat al uitnodigend in de deuropening. Hoewel, eerder opening dan deur. We geven toe aan de uitnodiging en vanuit de felle zon worden we door het jongetje naar binnen gedirigeerd. Over een 40 cm hoge plank struikelen we naar binnen. Als mijn ogen aan het donker gewend zijn zie ik een plank met ernaast twee lagere planken: een tafel met twee banken dus. Ik word als gast echter geacht plaats te nemen op een van de lage plastic krukjes. Het gammele krukje dreigt onder mijn gewicht te bezwijken en met mijn knieën opgetrokken tot onder mijn kin houd ik me met moeite in evenwicht. Al snel blijkt waarvoor de hoge drempelplank voor de ingang dient. Vier biggen leggen hun snuit op de rand en kijken nieuwsgierig naar binnen.

We krijgen thee in kleine kopjes en vader steekt voor de gelegenheid een pijp op. De ruimte is de woonkamer, de keuken en de slaapkamer tegelijk. In een hoek staat een bed en op het bed zit een vrouw met een baby op de arm. Er kan verbaal niet worden gecommuniceerd en dus lacht de hele familie maar vriendelijk en lachen wij maar vriendelijk terug. We spreken met handen en voeten en lachen en knikken en schudden het hoofd.

Ze vinden het prachtig als ik een paar foto’s maak. Aan de wand hangt een afbeelding van Franciscus van Asisi, in goed gezelschap van een vergeelde Maria een meter verderop. Rooms Katholieke invloeden dus. Na een tweede kopje thee nemen we afscheid. De nieuwsgierige biggen stuiven knorrend weg als we weer over de plank naar buiten stappen.

Midden tussen de hutten staat een kerkje met een groot kruis er op. Naast het gebouwtje staat zelfs een heuse klokkentoren. Als we gebaren of we wel even binnen mogen kijken komt er een oud mannetje met een sleutel te voorschijn uit de hut naast de kerk. De ‘koster’ gaat met ons mee naar binnen. Het blijkt inderdaad een RK kerk te zijn. Er staan geen stoelen in de lege ruimte. Ik hoop niet voor de arme dorpelingen dat ze per kerkdienst net zo lang onder de pannen zijn als ik in mijn vrome jaren, want elke dienst betekent een staande receptie. We hebben het vrij snel bekeken en als we naar buiten lopen wordt het hek weer snel achter ons op slot gedraaid. Voor de zekerheid vragen we nog even welke kant we op moeten naar TaVan, het volgende dorpje. Waarschijnlijk spreken we het hardnekkig verkeerd uit want pas na vier keer TaVan gebruld te hebben wijzen alle kinderarmpjes eenstemmig en vastberaden dezelfde kant uit.

Het pad loopt naar de rivier en, helaas, het loopt aan de andere kant verder. Het is het heetst van de dag. De buffels, als nijlpaarden met alleen hun kop boven water, staren ons vanuit de verte aan.

Jammer dat ik niet gelijk zo verstandig ben geweest om mijn schoenen en sokken uit te trekken want mijn poging om droogvoets via de glibberige stenen aan de overkant te komen mislukt glorieus. De meisjes die in de rivier hun kleren zitten te wassen hebben de grootste lol als ik naast hen plaats neem om mijn sokken uit te wringen en mijn schoenen leeg te gieten. Die is dom, zie ik ze denken, dat krijg je als je niet gewoon op blote voeten loopt.

Hoe het zover kwam weet ik nog steeds niet, maar op de een of andere manier heb ik een ander pad genomen en ben ik de anderen kwijtgeraakt. Het lopen tussen de rijstvelden is geen doen gelijk. De paadjes zijn tien centimeter breed en ik ben er al zo vaak bij neer gegleden dat de klei tot aan mijn kruis zit. In de verte zie ik Jelly opeens aan de rand van het dorpje staan zwaaien. Hemelsbreed is het nog geen vijftig meter, maar alle pogingen om via de paadjes dichterbij te komen mislukken. Het lijkt wel een vakkundig aangelegde doolhof. Ten einde raad laat ik me in het rijstveld zakken en ploeter door de blubber naar de overkant. De eenden schieten links en rechts voor me uit. Ik denk niet dat de eigenaar van het veld er erg blij mee is, maar het is wel de kortste weg en nat en vies ben ik toch al. Als een wadloper die Ameland bereikt word ik in TaVan verwelkomd.

Nadat we zelfs nog voor een tweede keer ergens op theevisite zijn geweest komen we in de buurt van het eindpunt van de wandeling en, warempel, de jeep staat keurig te wachten. Op de afgesproken plaats en op de afgesproken tijd. Ofschoon we hadden afgesproken dat we meteen in Sapa zouden blijven, gaan we, vooral op mijn verzoek, toch eerst maar naar het hotel droge  en vooral schone kleren aan te trekken.