Twan en Tsjoeng
Met ons stappen op het laatste moment uiterst behendig twee jongetjes aan boord. Ze zetten een zware koelbox in het bootje en gaan helemaal voorin op het puntje zitten. Ik schat ze op een jaar of elf, twaalf.
Omdat ze af en toe ook even een stukje roeien denken we eerst nog dat ze bij de mevrouw horen. We zijn nog maar net op weg of ze beginnen links en rechts wat dingen aan te wijzen. Het blijken onze ongevraagde gidsen te zijn: Twan en Tsjoeng. Alleraardigste kereltjes zijn het, beleefd en vriendelijk.
We zijn op weg naar de zgn. Parfum Pagode. De boottocht over de Parfum Rivier werd in onze Lonely Planet omschreven als 'a fun boat trip - highly recommended'. Na drie kwartier hebben we echter een blikkont van het ongelukkige plankje.
Al voordat de bootjes hebben aangemeerd zijn de jongetjes al met hun koelbox aan land gesprongen en zeer behulpzaam worden we begeleid bij het uitstappen.
De Parfum Pagode is een bedevaartsoord in een grot boven in de berg. We zijn nu dus nog maar aan het eind van de Parfum Rivier en we moeten nog beginnen aan de klim omhoog van een klein uur. Onderweg zien we regelmatig kleine pagodes en om het kwartier passeren we een plaats waar ze ons eten en drinken proberen aan te smeren. Het is vooral de warmte die ons parten speelt. Dankbaar maken we steeds gebruik van de banken bij de kiosken om bij te komen en ons geestelijk voor te bereiden op het volgende stuk. Op dezelfde banken waar wij nu het zweet van ons voorhoofd vegen zijn regelmatig mensen gestorven, zo lees ik in de gids. Veel doodzieke mensen zijn hier bij de honderden treden omhoog gesleurd. In de wetenschap dat het einde naderde moesten ze nog op de valreep deze belangrijke bedevaart ondernemen. Velen stierven hier op de weg terug, of nog sneuer, al op de heenreis.
Als Twan in de gaten krijgt dat het allemaal niet zo vlot meer gaat schiet hij naar voren en wil onze rugzak dragen. We twijfelen even of we daar aan moeten beginnen. Dat we voor de rest van de dag aan deze jongetjes vast zitten is inmiddels wel duidelijk. Vooruit dan maar. We geven ze aan het eind van de rit een paar duizend dong en dan zijn wij mooi van die rugzak af en zij zijn straks de koning te rijk.
Dan komt de kentering in de relatie met onze gidsen. Voordat Twan de zware en voor hem veel te grote rugzak van me overneemt pakken we nog even één van de twee flessen water eruit. Zijn gezichtje betrekt. Dat was blijkbaar niet de bedoeling. ‘You buy drink from us?’ Nou, dat dachten we niet. We zijn niet voor niets zo slim geweest om bij het hotel nog even twee grote flessen water te kopen. Grote teleurstelling op de bruine koppies, maar ze houden zich flink. Nog wel. Tsjoeng staat weliswaar nog steeds met zijn waaier voor mijn gezicht te wapperen, maar het gaat niet meer van harte. Wreed zetten we nog eens onze fles aan de mond.
De één draagt de koelbox, de andere sjouwt steeds met onze veel te grote rugzak. Af en toe wordt er gewisseld. Bij een volgende pitchstop kopen we uiteindelijk elk maar een blikje cola uit de koelbox die de hele tocht wordt meegezeuld. Als we het drinken afrekenen blijkt een blikje cola bij de heren 5000 dong te kosten. Ongeveer twee keer zoveel als bij het kraampje aan het begin van de tocht en zelfs nog 1000 dong meer dan bij het kraampje waar we naast staan. Dat was dus één keer en niet weer.
Vele slokken water later komen we bij de pagode. Nadat we tijden lang het steile pad omhoog hebben gevolgd dalen we nu opeens af naar de ingang van een donkere grot. Wat mij betreft een regelrechte afgang. Ik had hoge verwachtingen van de Parfum Pagode. De pagode heet de Parfum Pagode vanwege de wierrook die er brandt. De logica ontgaat me een beetje. Als de hoeveelheid verstookte wierrook het criterium is kunnen ze elke pagode die we in Vietnam hebben gezien wel de Parfum Pagode noemen. Het beestje moest een naam hebben zullen we maar zeggen. Hoezo pagode trouwens? Ik heb zo langzamerhand al heel wat schitterende pagodes gezien. Meestal waren dat prachtige bouwwerken met veel houtsnijwerk in indrukwekkende kleuren. Zo niet bij de Parfum Pagode. Geen
Door de ruimte echoot het eentonige gedreun van de monniken. Ik vraag me nog even af waar die pagode nu is, maar, zo blijkt, ik sta er al middenin. Het is deze grot. Een altaar, veel versieringen en inderdaad de nodige wierrook. Ik heb het al vrij gauw gezien. Nou heb ik dat wel vaker bij echt culturele hoogtepunten. Ik word nog gewezen op een van de meest bezienswaardige hoogtepunten: een minuscuul, in de rotsen uitgehouwen Boeddhaatje. Ik ben nog maar een blauwe maandag in Azië, maar ik heb ze al tien keer zo groot gezien en nog in puur goud ook. Al kan ik ook weer niet zeggen dat het niet bijzonder is, toch valt het me tegen.
Op de weg terug dragen Twan en Tsjoeng weer om de beurt onze rugzak. De tocht naar beneden gaat nog beroerder dan omhoog. Afgepeigerd en doorweekt van het zweet komen we weer bij de steiger waar de dames met de bootjes nog steeds op ons liggen te wachten.
Onze beide flessen water zijn op. Eenmaal beneden word je om de tien meter geprest toch vooral daar een fles water te kopen en wel voor 6000 dong per liter! Twang en Tsjoeng ruiken handel en de koelbox gaat open. Speciaal voor ons zijn ze bereid voor 10.000 dong afstand te doen van één liter. We kijken de mannetjes verbaasd aan, al geef ik toe dat we appels met peren vergelijken. De fles van het stalletje komt nog maar net kijken, terwijl de fles uit de koelbox al een hele bedevaartstocht naar de Parfum Pagode heeft voltooid.
We vertellen ze dat we hun water niet willen kopen omdat het 4000 dong te duur is. Als we even later een fles bij het kraampje kopen lijkt de stemming voor de terugreis definitief bepaald. Als blikken konden doden.
‘Why you not buy water from us?’ We leggen het opnieuw uit en verklappen nog niet de beloning die we voor het eind van de tocht in gedachten hebben. Ze zijn zwaar beledigd. Tijdens de terugreis worden er door onze gidsen aanzienlijk minder wetenswaardigheden over de omgeving verteld dan tijdens de heenreis. Het duurt maar even of het geschooi begint al.
‘You give us money?’ Dit kan natuurlijk niet. Ons pedagogisch verleden gaat opspelen. Per slot van rekening komen we beide uit het onderwijs.
‘You should not ask for it. Wait. It's not polite to ask for the money.’
‘If we get money from you we can go to school.’
Aha, gaan we op die toer?
‘You just wait, OK?’
Niet OK. De sfeer wordt grimmig. We waren en zijn nog steeds van plan ze te belonen voor hun diensten, maar alles op zijn tijd. Kinderen die vragen......
‘If you give us money later, people will see it.
We have to give it to other people.’
Kijk, daar hadden wij weer niet aan gedacht. Vreemd, bedenk ik later. Ze verdienen dus stiekem geld en nog wel om naar school te kunnen gaan. Zou het waar zijn? We hebben niet veel tijd meer want de mevrouw maakt aanstalten om aan te leggen. Koortsachtig slaan we aan het rekenen en ik opper, een beetje voor de vuist weg: ‘10.000 dong elk?’ Jelly kijkt me aan. ‘Dat is drie gulden? Het lijkt me belachelijk veel.’ Ze heeft gelijk. Voor ons is het een schijntje, maar als je bedenkt dat een volwassen Vietnamees een maandsalaris heeft van 60 à 70 gulden, dan heeft een ventje van elf jaar oud vanmiddag dus in zes uur tijd één-twintigste deel van een volwassen maandsalaris verdiend? Van die zes uur hebben ze dan bovendien nog drie uur alleen maar voor in het bootje gezeten. Ook Dath, de bediende in het restaurant, vertelde toch een paar dagen geleden nog dat hij per maand 200.000 dong verdient. Twee keer zo oud en met een opleiding op zak. Wat doen we? 5000 dong? Eerlijk gezegd lijkt het ons nog veel als je bedenkt dat ze ook aan de colaatjes ook al dik hebben verdiend. Ik pak de portemonnee. Het komt mooi uit, ik heb precies drie briefjes van 5000 dong. Dan kan mevrouw de roeister ook één krijgen. We stoppen ze de opgevouwen briefjes in de handen. Ze openen hun knuistjes en kijken er naar alsof we er zojuist in gespuugd hebben. Diep
Verbijsterd door hun reactie dringt het in eerste instantie nog niet eens tot me door waar de schoen wringt.
‘This is very little.’ Nou Twan, wij hebben anders net even zitten rekenen en wij denken dus van niet. Tot vijf keer toe houden we ze elk de 5000 dong voor. Steeds weer weigeren ze het aan te nemen. Ook een gids van elf jaar heeft blijkbaar zijn trots. Twan weet zelfs tranen te produceren. Onvermoeibaar bereid altijd maar weer de dialoog aan te gaan, vraag ik hoeveel zij dan in gedachten hadden.
‘Ten dollars each.’
Alsjeblieft! Zonder blikken of blozen. Van verbazing tuimelen we bijna uit het ijzeren klotebootje.
‘Ten dollars, that’s ridiculous!’
En zo gaan we nog even door. Als ze door krijgen dat we onvermurwbaar zijn boren ze ook een ander vocabulaire aan. Twan doet zijn best om huilend te praten. Nog een paar moraliserende opmerkingen van onze kant en we meren aan. De heren lijken tot alles in staat en ik ben blij dat ik de rugzak weer in eigen beheer heb. Diep beledigd springen ze van boord en dit keer worden we niet aan land geholpen. Nog één keer bieden we ze de 5000 dong aan. Tsjoeng aarzelt, Twang houdt voet bij stuk. Goed zo. Dat is karakter. Nog een laatste keer. OK, dan niet. We geven onze roeister 5000 dong. Ze is er blij mee en ik heb de indruk dat ze het meent.
Eén voor één komen de bootjes van onze reisgenoten aan. Enkele mensen uit onze groep zagen blijkbaar van te voren de bui al hangen, want die hebben helemaal geen gidsen, anderen hebben exact dezelfde onverkwikkelijkheden achter de rug als wij.
Vlak voordat we weer in de bus stappen komen ze beide naar ons toe gerend. Dan toch maar die 5000 dong. Helaas, nu niet meer.