De nachttrein naar Hué
Na een schemerig half uurtje wordt het nu snel donker. Met de stroom mee lopen we langs de ticket controle. De nachttrein naar Hué staat al klaar op het eerste perron en het is nu nog zaak om met onze bagage aan boord te komen.
Van Hanoi naar Hué is zo’n 700 km en we zullen de komende nacht die afstand horizontaal afleggen, als het een beetje mee zit zelfs slapend. We reizen met de nachttrein over de in 1976 gerestaureerde spoorverbinding die als symbool van de éénwording van Noord en Zuid de Thong Nhat, oftewel de herenigings-express wordt genoemd. Het is half zeven als we vertrekken en deze vertrektijd, zo blijkt later, is het enige dat klopt in de dienstregeling. En dan ook nog bij benadering. Zo zullen we de volgende morgen met drie uur vertraging aankomen.
Het is allemaal nogal krap en rechtop zitten wil net niet. Na een uurtje nekkramp besluit ik maar eens op verkenning uit te gaan. Terwijl ik door de lange trein loop ontdek ik echter dat we het nog niet zo slecht getroffen hebben. In een nachttrein heb je de keuze uit hard seats, soft seats, hard sleepers en soft sleepers. Wij hebben soft-sleepers. Soft, waar het sleepers in Vietnamese treinen betreft, is een betrekkelijk begrip, zo is mij inmiddels bij mijn bed al wel duidelijk geworden, maar het kan nog veel erger. De hard-sleepers slapen letterlijk op planken en wel met zijn zessen in één coupé. De bovenste bedden zijn het goedkoopst, de onderste het duurst. Iedereen die regelmatig met een nachttrein reist wist het al en ik ben er na een uur ook al achter: het is aan te raden om een middenbed te nemen. Het onderste bed kan namelijk op elk onbewaakt ogenblik ten prooi vallen aan seat-reizigers die hun kans schoon zien om ergens te gaan zitten. Verder kan het zijn dat andere (vreemde) passagiers hun bagage onder jouw bed hebben gestopt en als zo iemand halverwege de nacht de trein uit moet dan zul je dus, als je het onderste bed hebt, moeten opstaan.
Uit de meeste coupé’s komt een melange van lichaams- en etensgeuren. Op het moment dat ik van een coupé een foto wil maken steken opeens alle zes de koppen nieuwsgierig uit de stapelbedden. Ik ben verbaasd als een keurige Vietnamese dame me in vloeiend Duits vraagt waar ik vandaan kom en waarom ik in Vietnam ben. Ze blijkt een restaurant te hebben in München en ze is hier op familiebezoek. We raken even aan de praat en natuurlijk beloof ik ook nu weer de foto op te sturen. Het papiertje met haar naam en adres steek ik in mijn broekzak. Het zestal, zo vertelt ze, moet naar Ho Chi Minh-stad. De afstand is 1700 km en de geplande aankomsttijd is overmorgen ergens in de namiddag. Twee dagen en twee nachten moet dit gezin op deze planken hangen.
En nog kan het erger. De volgende coupé waar ik door loop zijn de hard-seats compartimenten. Reken maar dat hier dus ook mensen zitten die met ons uit Hanoi zijn vertrokken, maar dan met eindbestemming Ho Chi Minh-stad. Het betekent dat je achtenveertig uur moet zitten op een houten bank!
Terug bij mijn soft-sleaper vraag ik of onze Vietnamees al wil slapen. Zo ja, dan zal ik naar boven moeten verhuizen. Hij schudt van nee. Hij heeft het nog dik naar de zin en investeert nog steeds op zijn manier in de handen-en-voeten-conversatie. We nemen nog een tweede biertje, maar als ik om elf uur voor de zoveelste keer weer informeer of de man al plat wil is het antwoord 'ja'. Het lijkt ons een beetje asociaal om samen onder het felle licht van de tl-buis verder te borrelen, vandaar dat we besluiten om dan ook maar een poging te gaan doen om te slapen.
Het slapen wil niet echt lukken. Voortdurend word je tussen de vier schotten van je bak heen en weer gekwakt. Het is maar goed dat er voor de opening een plankje zat anders had ik al vrij snel tussen onze Vietnamees en Jelly op de grond gelegen. Tegen het gedender van de wielen over de rails en wissels is geen Oropax opgewassen.