[print]

De DMZ tour

Voor mij is het woord Vietnam altijd synoniem geweest voor oorlog. Het land kende ik niet anders dan als decor voor ellendige taferelen. Het woord Vietnam klonk in mijn jeugd dagelijks door de huiskamer. Alleen al de klank van plaatsnamen als Saigon, Danang, Quang Tri, Na Trang, de Mekong delta.

Alleen al de klank van plaatsnamen als Saigon, Danang, Quang Tri, Na Trang, de Mekong delta. Deze namen werden door mij tot voor kort alleen maar geassocieerd met onze ouderlijke, eind-jaren-zestig huiskamer met Philips zwart-wit TV. Elke dag weer waren daar de beelden van wat mijn vader ook elk journaal weer opnieuw noemde: een waanzinnige oorlog.

We doen vanmiddag de zgn. DMZ tour. DMZ staat voor De-Militarized Zone en het is de bedoeling dat we een rondrit maken door het zwaarbevochten grensgebied, deze toenmalige gedemilitariseerde zone.
Onze gids op, mevr. Tack, blijkt een aardige mevrouw van een jaar of veertig te zijn. Ze spreekt goed Engels en als ik snel even reken is ze dus net oud genoeg om te weten waar ze het over heeft.
Hier in dit  uitgestrekte berggebied maakte de Noord-Vietnamese Vietcong gebruik van een aantal zogenaamde Ho Chi Minh-trails. Dit waren geheime en steeds wisselende bevoorradingsroutes dwars door de jungle, tussen het Noorden en het Zuiden. In een ultieme poging grip te krijgen op deze, voor het oog van vliegtuigen en helikopters verborgen paden werden ontbladeringsmiddelen ingezet. Beruchte middelen als Agent Orange en Agent Purple hebben hun werk zo goed gedaan dat er nu, dertig jaar na dato, nog steeds niets wil groeien. Mevrouw Thack vertelt dat er, vooral in dit gebied, nog steeds veel gehandicapte kinderen worden geboren. Ik kan me hebben vergist, maar het lijkt alsof ze geëmotioneerd is. Even later, als ik alleen met haar sta te praten, vertelt ze me dat ze vijf maanden zwanger is.
We raken met het uur meer onder de indruk van de dingen die ze vertelt. Het zijn wetenswaardigheden die je weliswaar al eens had gehoord of gelezen, maar die opeens veel meer indruk maken uit de mond van deze mevrouw. Wat mij vooral opvalt, is de objectiviteit van haar bewoordingen. Ik bespeur geen enkele ondertoon van haat of zelfs maar antipathie tegen Amerikanen, dan wel Vietcong. Ook laat ze zich hiertoe niet verleiden na suggestieve vragen van onze kant.
We volgen een stukje Highway 9 en komen bij de brug over (weer) de Ben Hai rivier. Deze rivier vormt vandaag de rode draad door onze tocht. Ooit is de 17e breedtegraad uitgeroepen tot officiële demarcatielijn tussen Noord en Zuid. Gemakshalve heeft men later de bijna hiermee samenvallende en fysiek beter herkenbare Ben Hai rivier als grens genomen.
In de tijd dat Vietnam nog was verdeeld in twee republieken, met als enig verschil de naamgeving, namelijk de toevoeging van het woord democratisch voor de noordelijke van de twee, had deze brug een sterke politieke lading. In tegenstelling tot wat je van een brug zou verwachten was het juist een scheiding die hier werd gesymboliseerd. We lopen de brug een keer op en neer en we staan letterlijk stil bij de feiten. Ik maak een foto van het monument en de vlag en meer is er eigenlijk ook niet te fotograferen.
 
Een kilometerslange hobbelweg met kuilen voert ons naar Khe Sanh, de belangrijke vliegbasis van de Amerikanen indertijd. Op het desolate terrein staat een gebouwtje dat is ingericht als fotomuseumpje. We zijn nog niet voor de deur uitgestapt of we moeten al weer dingen kopen. Geen bananen of ansichtkaarten dit keer, maar oorlogssouvenirs. Een man houdt ons een schaal voor met munten, ondefinieerbare stukjes metaal en heuse identificatieplaatjes.
Na het einde van Khe Sanh hebben de Amerikanen de hele basis opgeblazen. Alles wat hier was is begraven en letterlijk met de grond gelijk gemaakt. Er diende niets zichtbaars over te blijven dat als Noord-Vietnamese propaganda zou kunnen worden gebruikt. Zand er over en wat het oog niet ziet...... De bodem bestaat op sommige plaatsen uitsluitend uit munitie en schroot. Onder de grond bevindt zich dus eigenlijk het echte museum. Plaatselijke schatgravers schijnen een paar jaar geleden zelfs een complete bulldozer vanonder de rode aarde naar boven te hebben gehaald.
Als ik me de Vietnamfilms weer een beetje voor de geest haal dan werden hier dus de Amerikaanse jongens, kwajongens nog, zwaar gewond uit de helikopters gehesen. De hele omgeving is nu kaal en de grond is zo rood als het gravel op een tennisbaan. Hier en daar doet een plukje groen zijn best om weer te aarden maar veel groeit er niet. Eigenlijk is er niets meer dat nog aan de oorlog herinnert en van het clowneske MASH hospitaal kan ik al helemaal geen spoor ontdekken.
Rommelend in de bak met schroot zie ik ID tags met Amerikaanse namen er op. Vreemd, ik kan me niet voorstellen dat ze authentiek zijn. Waarom, zo vraag ik me af, is dit naamplaatje van soldaat Harrison nooit bij zijn familie terecht gekomen? Waarom kan ik het plaatje nu gewoon kopen voor een paar dong? Waarom zou ik, trouwens? Ìk niet, maar ik kan me voorstellen dat er veel Amerikanen op zoek zijn naar dat ene, voor hem of haar zo belangrijke naamplaatje. Ik heb me laten vertellen dat er zelfs op het moment dat wij er waren nog officiële Amerikaanse delegaties op zoek waren naar sporen van deze zogenaamde MIA’s (soldaten Missing In Action).
Zoals gezegd, het vereist het nodige inlevingsvermogen om je voor te stellen wat zich hier heeft afgespeeld. In een gevecht dat twee-en-een-halve maand heeft geduurd zijn hier, op deze vrij kleine plek, in het voorjaar van 1968, 500 Amerikanen en maar liefst 10.000 Vietnamezen omgekomen. Het was de nachtmerrie van generaal Westmoreland dat zijn Khe Sanh als een tweede Dien Bien Phu in onze reisgidsen zou verschijnen. Om dit te voorkomen werden op de plek waar we nu staan maar liefst 5000 vliegtuigen en helikopters en 6000 soldaten gestationeerd. Back home werd het verloop van de strijd op de voet gevolgd door president Johnson. Hij had hiervoor in het Witte Huis zelfs een schaalmodel van Khe Sanh en omgeving laten maken.
Het zijn natuurlijk mijn eigen persoonlijke emoties, maar hoewel er eigenlijk niets te zien is maakt dit stukje Vietnam diepe indruk op me. Ongemakkelijk staan we nog wat op de vroegere landingsbaan te kijken. Zelfs de eeuwige praatjesmakers (waaronder ik) in ons gezelschap zijn stil. Een oud kanon staat gericht op de kale bergen in de verte. Op een betonnen voetstuk wijst een vliegtuigmotor recht omhoog de lucht in. De vier propellers staan als een kompas in de kale roodbruine woestenij. Hier zijn dus kwajongens opgestegen en niet weer teruggekeerd. Hier hebben ze gefeest en hier hebben ze gehuild. Hier zijn ze gek geworden. Deze kale stoffige startbaan was de enige fysieke verbinding met de buitenwereld. Het plaatsje is inmiddels officieel omgedoopt tot Huong Hoa. Voor de meeste mensen van de oudere generatie zal het echter altijd Khe Sanh blijven.
In de brandende zon lopen we zwijgend terug naar ons busje. Iets verderop wordt het weer wat groener. De koffieplantages staan er zelfs weer redelijk florissant bij. Ik realiseer me dat de films ook niet het tropische klimaat hebben kunnen laten voelen. Ik heb me de afgelopen weken vaak afgevraagd hoe mensen die niet gewend waren aan de tropen hier een oorlog hebben kunnen voeren. Een gewone wandeling in korte broek met slechts een camera om je nek valt al niet mee, maar hoe zou je je voelen na een middagje tijgersluipgang met volle bepakking op je rug en de dood op je hielen?
 
De laatste attractie van ons DMZ-dagje is Vinh Doc. Als bescherming tegen de bommenregen ging de bevolking hier letterlijk ondergronds. Met behulp van de Vietcong hebben ze met de hand een netwerk van tunnels en vertrekken gegraven met een totale lengte van bijna drie kilometer, op sommige plaatsen tot een diepte van maar liefst 26 meter.
Bij de ingang van de tunnel krijgen we allemaal een zaklantaarn overhandigd. Ik kan die van mijn gelukkig nog net omruilen voor één die het wèl doet. Mevrouw Thack gaat uiteraard niet mee. Afgezien van haar ‘positie’ in beide betekenissen van het woord lijkt me dit inderdaad een typische toeristenaangelegenheid: de Amerikanen die met klompen aan in Volendam op de foto moeten, de Nederlanders die door de Vietnamese tunnels moeten. Onder aanvoering van een andere gids struikelen we gehurkt achter elkaar aan de tunnel in. De gangen zijn slechts 1,20 meter hoog en 60 cm breed. Soms wordt het even breder. Dat zijn de ‘vertrekken’ waar men sliep, roept de gids achterom en sprint weer verder. Het complex is vrijwel onbeschadigd gebleven, dit ondanks het feit dat de Amerikanen het hele gebied met bulldozers ontworteld hebben. Ook de zogenaamde drill bommen, bommen die zich in de grond ingraven waarna ze bij de eerste beste open ruimte die ze in de grond tegen komen exploderen, hebben hun verwoestend werk hier niet kunnen doen.
Als ik halverwege een recht stuk in de tunnel stop om een foto te maken hoor ik onderdrukt gevloek als gevolg van de kop-staart botsing ergens achter me in de duisternis. Ik heb duidelijk te veel ruimte tussen mij en mijn voorganger gelaten. Haastig kluun ik verder. Na een paar bochten kom ik bij een splitsing. Ik zie geen mensen meer voor me; de gids heeft wel erg veel haast. Ik kies willekeurig voor linksaf en na nog een bocht zie ik verderop godzijdank weer het licht van een zaklantaarn voor me. We gaan een paar treden omhoog en als we de dichte takken van de struiken aan de kant duwen staan we plotseling tegen het zonlicht te knipperen. Verbaasd kijken we om ons heen: we blijken op het strand te staan. De kinderen aan de andere kant van de omheining hebben de toeristen al geroken en proberen ons bananen en lychees te verkopen. Onze ruggen strekkend staan we over de zee uit te kijken. Dit is dus de plaats waar dertig jaar geleden de Vietcong soldaten ongemerkt met hun voorraden aan land kwamen en als wegflitsende hagedissen in het niets oplosten.....