[print]

De Cholon markt

Een doolhof van nauwe paden voert, over twee verdiepingen, langs een gigantisch assortiment huishoudelijke artikelen, sportschoenen, textiel, kruiden en levensmiddelen.

Zojuist zijn we door een taxi afgezet voor het grote gele gebouw van de Cholon markt. Oorspronkelijk was de Cholon markt de Chinese wijk van Saigon, maar tegenwoordig staat Cholon (letterlijk) voor de markt.

Moeiteloos schiet ik een fotorolletje vol. Ik zou hier dagen kunnen rondlopen. De ene kraam verkoopt minstens tien verschillende soorten rijst, terwijl bij het andere kraampje een vrouw een enorme hoop sambal zit te maken.

Ik ben een moeilijke slaper, de Vietnamees niet. Deze markt lijkt een samenvatting van alle standjes waarin ik de afgelopen weken mensen heb zien slapen. Ik heb ze languit op de Honda zien liggen, of dubbelgevouwen over de fietstaxi. Met één been buiten de hangmat bungelend of ondersteboven tegen een baal rijst aan. Dubbelgevouwen in een kastje of languit op of onder een tafel. Even verderop is een meisje een oudere vrouw aan het vlooien. Van een andere vrouw worden in een teiltje de lange zwarte haren gewassen.

Als we het grote gebouw uitlopen komen we langs een rij slooppanden. De straat is één grote vieze bende; de stank is niet te harden. In veel van de bouwvallige open ruimtes is een bedrijfje gevestigd. Ik maak een foto van een familie die doende is met het inpakken van noedels. Een andere zaakje, een paar vertrekken verderop, heeft zich gespecialiseerd in roze en gele papieren slingers. Aan het eind van de straat komen we bij de kippenmarkt. Ook deze Vietnamese pluimveemarkt tart elke beschrijving. Overal liggen hopen kippen of eenden. In bundels met één poot aan elkaar vast gebonden. Ik zie alleen maar levende dieren, verser kun je het dus niet krijgen.

Er staat een man eenden en kippen op zijn brommer te laden. Hij heeft het stuur al helemaal vol gehangen en hij heeft zojuist een paar bossen eenden over de benzinetank gedrapeerd. Hierna wordt ook de achterkant van de brommer volgeladen. Telkens een bos van zes, drie links, drie rechts. Op de plaats waar hij straks moet zitten is een heel klein stukje zadel vrij gehouden. De man neemt een aanloopje en springt in het open gat. Hij schuift een paar kippen uit zijn kruis naar voren. Blijkbaar zit hij nog niet helemaal naar wens, want hij gaat nog even op één pedaal staan, tilt zijn gat op, trekt er een eend onder vandaan en nestelt zich dan definitief op het zadel. Van de brommer is helemaal niets meer te zien. De man start zijn kippenkluwen en rijdt, over de vleugels van een bosje achterblijvers op de grond heen, al slingerend de markt af. 

Op vijf minuten lopen van de markt bevindt zich het busstation van Cholon. Hoewel het in geen enkele reisgids staat vermeld lopen we toch die kant op. Blijkbaar denken we intuïtief dat daar het nodige te beleven is en dat blijkt ook zo te zijn. Als we het terrein op wandelen worden we door een druk gebarend mannetje opgewacht. Hij wijst driftig naar een aftandse blauwe bus. Daar moeten we heen! Dat is onze bus! We maken een afwijzend gebaar:

            ‘No, no, thank you.’

Er komt een concurrent. Hij wijst naar de volgende bus. ‘Instappen en vlug een beetje want we vertrekken zo,’ lijkt hij te zeggen. We blijven halsstarrig nee schudden. Pas dan komt de vraag:

            ‘Where you go?’

De eerste man komt er ook weer bij.

            ‘We just want to have a look, we are not going anywhere. We stay here.’

Ze kijken ons nog even verbaasd aan, schudden het hoofd en draaien zich om.

Onmiddellijk storten ze zich als aasgieren op een mevrouw die net komt aanlopen. De ene man heeft beet. De vrouw krijgt een papiertje en loopt naar de achterkant van zijn bus. Aan de ene hand heeft ze een klein kind, aan de andere hand hangen vier bruine kippen te fladderen. Ook in de kippenwereld is het ongelijk verdeeld. De één moet hangend over de koplamp van een Honda door Saigon heen, de ander mag lekker met de bus. Hoewel, lekker. Met een sierlijke bovenhandse zwaai gooit ze de kippen door de hoge open deur naar binnen, klautert er zelf onhandig achteraan en hijst vervolgens haar kind aan boord.

We komen bij een bus waar bijna geen ramen meer in zitten. Voorop staat de bestemming: Hanoi. Saigon-Hanoi is ruim 1700 km. Op de achterste bank staan een paar kooitjes met vogeltjes. Er ligt een man naast te slapen. Midden in het gangpad is een hangmat gespannen. De man die er dubbelgevouwen in ligt is waarschijnlijk de chauffeur. Als we om de bus heen lopen zien we dat de hele achteras er onder vandaan is gehaald. Twee mannen, pikzwart van de olie, liggen op hun rug in de lege wielkassen te sleutelen.

Een kleiner busje zit al helemaal propvol met mensen. De achterdeuren staan open en op de vloer, tussen de vele benen staan allerlei manden en pannen met eten en natuurlijk weer de kippen. Een vrouw probeert wat verkoeling te krijgen door met haar punthoed te wapperen. Ze lacht als ik een foto maak. Net buiten het terrein staat een hele verzameling kleine driewielerautootjes, ongeveer van hetzelfde type als de Thaise tuktuks waarmee we een maand geleden, als in een James Bond film, door Bangkok zijn gescheurd. Deze karretjes heten Xe Lams, en ze worden hier alleen maar gebruikt als verbinding tussen de busstations onderling. 

We zijn al een heel eind terug gelopen en nemen voor het laatste stuk naar het hotel elk een fietstaxi. Ik maak me een beetje zorgen als Jelly met haar fietser behoorlijk achter blijft. Samen verdwalen in Saigon is nog tot daar aan toe, maar om nu elk in een andere wijk van deze immense stad te belanden. Ik maak mijn fietser duidelijk dat het eigenlijk wel de bedoeling is dat we de rest van de dag bij elkaar blijven. Hij lacht wat en gaat langzamer trappen. Een paar kamikaze-kruisingen later komt Jelly haar fietstaxi gelukkig weer in beeld.

Terwijl in Nederland voortdurend wordt geprobeerd de auto uit het stadsbeeld terug te dringen is het in Saigon juist andersom. In een vijftigtal straten in het centrum mogen de fietstaxi’s niet meer rijden. Op deze manier probeert de overheid het gebruik ervan te ontmoedigen ten gunste van de taxi. Als we bijna bij ons hotel zijn krijgt mijn fietser een seintje van een collega aan de overkant van de brede straat. Hij draait zich op zijn beurt om en schreeuwt iets naar Jelly haar chauffeur. Ze keren allebei om en gaan een zijstraat in. Als ik de man vragend aan kijk wijst hij in de voor hem verboden richting en zegt lachend: ‘Police!’