Bukittinggi
Bukittinggi zou je de hoofdstad van de Minangkabauers kunnen noemen. Het stadje ligt in de bergen op een kleine 1000 meter hoogte en het zit een beetje merkwaardig in elkaar. Het centrum ligt beneden en hoog boven de hoofdstraat verbindt een loopbrug twee hoger gelegen delen.
'My surname is Boonstra
and my first name is Jan.'
Dat is flauw.
'Surname? First name?'
Volgende vraag dan maar. Waar ik woon.
'I live in a little village in Holland.'
Oei! Inmiddels heeft een ander bijdehandje de interviewer al de pen afgepakt en probeert wat dingen op te schrijven.
Dit kan nog wel even duren en ik vraag of ik de lijst even mag zien. Dat is een goed idee! Goedemiddag, wat een waslijst: hoe oud ik ben, wat voor werk ik doe, over de vakantie. De docent Engels heeft er wel werk van gemaakt, zo te zien. Ik ben blij dat er nog collega's zijn die hun taak serieus opvatten. Ik vraag de pen en vul alle antwoorden in. Uiteraard niet de bedoeling en pedagogisch-didactisch absoluut onverantwoord, maar als we nog wat willen doen vandaag, moeten we hier niet al te veel tijd in steken, lijkt me. Alles is ingevuld en zwaaiend gaan we uit elkaar. Ik zou wel willen weten of ze zich nu bezwaard voelen, omdat ze het allemaal niet zelf hebben opgeschreven, of dat ze vinden dat ze dit toch maar eventjes netjes hebben geflikt: alle antwoorden in foutloos Engels op papier.
De attracties van Bukittinggi zijn niet allemaal even fantastisch. Laten we maar met de meest verdrietige beginnen: de Zoo. Wat een vreselijke vertoning. Gelijk al bij de ingang staan in een betonnen bak twee olifanten stereotype met hun kop te zwaaien. De zware ketting waarmee ze met een achterpoot aan de muur zijn vastgeketend geeft de arme beesten net zoveel actieradius dat ze tot aan het randje van de goot kunnen komen. Verderop ligt een lapje weggetrapt gras met een paar heuse Nederlandse hertjes en reeën. Dan de kooi met, nota bene, apen. Als het in heel Sumatra wemelt van de wilde apen, hoe kan iemand dan hier in vredesnaam vijf minuten lang naar twee stinkende apen in een kale kooi gaan staan kijken? Zo snel mogelijk wegwezen dus.
Het er naast gelegen museum is iets meer de moeite waard. Net als bij het Groninger Museum is het gebouw zelf eigenlijk de grootste attractie. Het is een prachtig voorbeeld van de Minangkabau architectuur. Ook al het tentoongestelde heeft betrekking op de cultuur en de leefwijze van de Minangkabauers.
Als we naar buiten gaan, lopen we op de trap weer de schoolkinderen tegen het lijf. Blijkbaar waren ze dat zojuist vergeten, want ze vragen nu of ik nog een handtekening onder het formulier wil zetten. Eén van de meisjes haalt een eenvoudig cameraatje uit haar tas en vraagt netjes of ze een foto van ons mag maken. Hoe vaak heb ik het de mensen hier de afgelopen weken zelf wel niet gevraagd. Nu zijn voor één keer de rollen omgedraaid. We staan nog steeds boven aan de trap naar de ingang en poseren bereidwillig op het bordes. Als het meisje heeft geflitst roepen ze alle zes in koor 'thank you!'
We lopen door in de richting van het centrum.
Zo ook hier op de markt in Bukittinggi. Iedere koopman of -vrouw heeft zijn eigen specialiteit. De vrouw met -tig soorten kroepoek: in alle kleuren en van mild tot godgloeiende heet. De man met het strijkijzer: uw pantalon gestreken terwijl u wacht. Het kraampje met wel twintig verschillende soorten gedroogde visjes in grote platte manden. De horlogemaker. De koekenbakker. De slipperspecialist. De rijstkraam met een enorm assortiment uitgestald in grote jute zakken. Textiel, vis, vlees, kippen en niet te vergeten: de kapper!
Mijn haar zit me al een paar weken in de weg. Ik had nog voor de vakantie willen gaan, maar het is er niet meer van gekomen. De kapper is net bezig. Ik vraag of ik zo geknipt kan worden.
'Ten minutes' luidt het korte antwoord.
'OK,' zeg ik.
We lopen nog een rondje over de markt en als we terug komen zitten er al weer andere klanten op het bankje. Als de kapper ons ziet roept hij: ’You are next!’ Hij is ons blijkbaar niet vergeten. Terwijl mijn voorganger zich nog de haren uit zijn nek staat te schudden neem ik plaats in de stoel. Een beetje tegen beter weten in probeer ik nog enigszins aan te geven wat, als het aan mij ligt, de bedoeling is. De man knikt steeds begrijpend. Dit gaat lukken, ik voel het.
Ik krijg een klein handdoekje omgeknoopt en geef me letterlijk blindelings over aan deze vakman. Vanaf het moment dat ik bij een kapper mijn bril inlever onderga ik de operatie meestal als onder narcose. Als ik weer bijkom zie ik het resultaat wel. Als ik echter de knijptondeuse een paar keer over mijn achterhoofd voel glijden begrijp ik dat de instructie gedekt in de nek niet helemaal is overgekomen. Hoe wordt het? roep ik naar Jelly, die lachend antwoordt: erg kort maar wel netjes. Als de camera flitst kijkt de man verbaasd achterom. Waarschijnlijk snapt hij niet wat er voor ons zo fotogeniek is aan dit alledaagse tafereel.
Ik heb nog nooit zo lang bij de kapper gezeten. De beste man is bijna een half uur met me in de weer geweest. Weliswaar geen kopje koffie en geen bladen met blote meiden, maar voor 6000 Roepia (€ 0,66) net zo netjes geknipt en twintig keer zo goedkoop als bij mijn kapper in Groningen.