Aan de zuidkant van Bukittinggi bevindt zich een diepe kloof, met enige grootspraak ook wel de Grand Canyon van Indonesië genoemd. De Nederlandse naam voor het ravijn doet zijn afmetingen meer recht: het 'Karbouwengat'.
Onze eerste poging om bij het panoramapunt dat uitziet over het Karbouwengat, te komen mislukt. Voor we het weten zitten we midden in de tunnels die de Japanners in de Tweede Wereldoorlog hebben gegraven. Eindeloze trappen en eindeloze gangen. Het licht aan het eind van de tunnel blijkt een hek te zijn dat uitkomt op de openbare weg even buiten het stadje. De mannen die het hek aan het schilderen zijn laten ons er uit en wijzen ons de goede kant op. Na een uurtje lopen zijn we weer terug bij het punt waar we vanmorgen zijn begonnen. Niet een sterk begin van de dag en zonde van de tijd. We laten het Karbouwengat dus maar even zitten en lopen door een van de buitenwijken van Bukittinggi. Hier komen we langs een paar winkeltjes. Het zijn hokjes van 1,5 x 2 meter met een karig assortiment van slechts enkele primaire levensbehoeften. Aan het eind van het pad staat een groot huis met weer zo'n typisch Minangkabau dak. Een, aan weerskanten oplopende, daklijn met aan de uiteinden meerdere omhooglopende, elkaar overlappende nokken. Jammer dat ook hier weer de palmvezel plaats heeft gemaakt voor de roestige golfplaten.
Een oude man komt naar buiten.
'Waar komt u vandaan in Nederland?' vraagt hij.
Het is niet de eerste Indonesiër die ons in het Nederlands aanspreekt, maar het blijft steeds weer een verrassing.
'U spreekt Nederlands!' zeg ik.
'Wij wonen in een dorpje in de buurt van Groningen.'
'Ah meneer, Groningen!'
'Groningen - Leeuwarden is 56 kilometer en Groningen - Zwolle is 100 kilometer.'
Als de man ziet dat we verbaasd zijn over deze kennis doet hij er nog een schepje bovenop:
'Groningen - Amsterdam is 198 kilometer.'
Hij zegt niet ongeveer 200, nee 198 kilometer!
'Amersfoort - Den Haag, meneer, is 65 kilometer.'
Hij noemt nog een paar grote steden op met hun onderlinge afstanden. Alle plaatsen tussen Groningen, Hoogezand, Sappemeer tot en met Winschoten, keurig in de goede volgorde. Met stijgende verbazing, maar vooral gene, horen we de man aan.
'Hoe weet u dit allemaal?' vraag ik.
'Dit heb ik vroeger allemaal op school geleerd, meneer.
Hier op de school in Bukittinggi.'
Hij wijst in de richting van ons hotel. Ik ben zo onbescheiden om te vragen hoe oud hij is.
'Negentig jaar, meneer.'
Dat meneer steeds, voor een man van negentig tegen een snotneus van vijftig.
'Maar u hebt er niet zo veel aan, dat u dat allemaal weet', probeer ik voorzichtig.
'Jawel meneer, nu kan ik met u Nederlands spreken'.
Ik vind het niet zo'n sterk argument, maar als de man het zo ziet.
'Bent u wel eens in Nederland geweest?', vraag ik.
'Oh nee, meneer!'
Domme vraag dus. Het is toch om je helemaal dood te schamen dat je hier als Nederlander tegenover een Indonesiër staat die alle plaatsnamen in Nederland inclusief de afstanden tot op de kilometer nauwkeurig uit zijn hoofd kan opdreunen. Waarschijnlijk heeft de man in al de negentig jaren van zijn leven nog nooit een voet buiten Bukittinggi gezet, laat staan dat hij ooit al eens in Nederland is geweest.
Als we weglopen vraag ik nog of dit het pad is dat naar het uitzichtpunt leidt. Klopt, aan het eind linksaf. De man wijst op de typisch Indonesische manier naar het einde van het straatje. Als je iets aanwijst doe je dat met je duim en niet met je wijsvinger. Wijzen met het vingertje is hier erg onbeleefd. Andries Knevel komt niet ver in Indonesië, dat is duidelijk.
Als we de straat uitlopen zien we een handwijzer naar het panoramapunt. Het uitzicht over het Karbauwengat is schitterend: inderdaad, een enorm gat. Alleen geen karbauwen.