Anton, Sali en Ari en (het Islamitische) Java
We staan buiten te wachten tot de groep en de bagage compleet is. Iets verderop zie ik onze Nederlandse reisleidster aanpappen met een of andere bedelaar. Vreemd, dat heb ik haar nog niet eerder zien doen. De man ziet er uit als zo'n bosjesman-achtige Papoea, zoals we die kennen van de oude zwart-wit foto's.
Een bruine verweerde kop met een grote zwarte krullende haardos. Geen peniskoker maar een spijkerbroek met T-shirt en de onvermijdelijke slipper. Slipper, enkelvoud, want hij heeft maar één goed been. Het andere voetje bungelt als een gekortwiekt vlerkje naast zijn stok. Ze voert zelfs een gesprek met hem, lijkt het wel. Ze wijst onze kant op en de man komt naar ons toe hinken. De 'bedelaar' blijkt onze gids voor Java te zijn. Daar sta je dan met je vooroordelen. Hij stelt zich netjes aan iedereen voor: Anton dus, of, zoals hij zich later zelf zal introduceren, the stickman.
Zojuist, tegen half twee zijn we geland op Soekarno-Hatto, de luchthaven van Jakarta en niet alleen Anton is nieuw, ook Sali en Ari zijn nieuw. Sali is de chauffeur, in een keurige zwarte broek en wit overhemd. Nog zo'n geijkte spencer er over en hij kan zo op een Nederlandse touringcar. Ari is zijn hulpje: een klein mannetje met een olijk gezicht en grote flaporen. Zoals ik een paar dagen geleden al constateerde bij de moeizame afdaling naar het Maninjaumeer op Sumatra, doet de titel 'hulpje' de bijrijder te kort. Pas na een week, en wat vaker voorin zitten, heb ik de functie op zijn juiste waarde weten te schatten. Hij is meer dan het hulpje dat het omgekeerde colakrat voor de deur zet als we moeten in- of uitstappen. Hij is ook meer dan de schoonmaker van de bus, bij elke stop die langer dan een half uur duurt. Voordat er überhaupt gereden wordt, is de bijrijder ook, zoals we al zo vaak hebben gezien, degene die belast is met de parkeergelden en de bijbehorende onderhandelingen. Tijdens de rit staat hij altijd links bij de deur in het gat van de treeplank. Al duurt de tocht ook de hele dag, de bijrijder gaat er nooit bij zitten. Dat kan ook niet want door de voorruit en het zijraampje let hij voortdurend op het verkeer. Op drukke kruisingen dwingt Ari de voorrang af door het raampje te openen en zijn hand als stopteken naar buiten te steken.
De communicatie met de chauffeur verloopt middels twee woordjes. Ik weet het niet precies omdat het haast niet te verstaan is, maar één ervan is zoiets als 'passss', met een hele lange 'ssss'. Wat ik er van begrijp is dat dit het signaal is voor 'doorgaan'. De hele dag door lispelt Ari zijn codes. Net als bij de haarspeldbochten van gisteren, is het de bijrijder die bepaalt of het links wel of niet kan. Sorry, Ari is dus niet het hulpje, hij is de bijrijder.
Sali en Ari dus. Mas of pak, wat zullen we doen? Net zoals ons woordje 'mevrouw' bu is voor de oudere vrouw en ba voor de jongere, is 'meneer' voor de oudere pak of pa en voor de jongere mas. Mas Sali en mas Ari dan maar.
We rijden over de eerste tolweg van Indonesië: de weg van Soekarno-Hatto Airport naar Bogor. Links ligt het centrum van Jakarta, een stad met maar liefst 15 miljoen inwoners. Bijna de hele Nederlandse bevolking op een gebied van zo'n 20 bij 20 kilometer.
Nu is overbevolking hier misschien minder erg dan voor ons. Voor de gemiddelde Indonesiër geldt dat alleen hetzelfde is als eenzaam. Het is ook de reden dat ze jou nooit ergens alleen zullen laten zitten. Als je in je eentje ergens een boek zit te lezen kun je er op wachten tot er iemand naast je komt zitten om een gesprekje te beginnen of op zijn mooist om met je mee te lezen. De meeste Indonesiërs willen ook liever niet alleen thuis zijn. Zoals bij kleine kinderen blijft 's nachts vaak het licht aan. Ben je namelijk alleen in het donker, dan is dat natuurlijk hèt moment voor de boze geesten om je met een bezoek te vereren.
Jakarta zit niet in ons reisprogramma. Ongetwijfeld zal het zijn attracties hebben, maar voor wat betreft het verkeer hoeft het ons in elk geval niet te spijten dat we doorrijden. De stad schijnt de hele dag vol files te staan. Het favoriete praatje is hier, niet zoals in Nederland, het weer, maar het verkeer. Om de eindeloze stroom auto's te beperken zijn enkele districten van Jakarta alleen toegankelijk voor auto's met minimaal 3 passagiers. Het Mai-Weggen-car-pool-strook-idee-avant-la-lettre zou je kunnen zeggen. Jongetjes die een paar Roepia's willen verdienen zijn hier in het gat in de markt gedoken. En zo kan het gebeuren dat je in een bepaalde chique wijk een grote Mercedes ziet stoppen waar een keurige meneer in driedelig kostuum uit stapt, gevolgd door twee in lompen geklede straatjongetjes.
Voor Jakarta werkt het corrupte systeem in deze juist averechts. Pas als de landverhuizers daar aankomen, blijkt dat ze niet welkom zijn. Het betreffende dorpje in Irianyaja dat liever geen import heeft, heeft namelijk kans gezien een geheim pact met de regering te sluiten: er is zogenaamd geen plaats. De arme mensen kunnen niet meer terug naar hun oude huis en besluiten met hun dromen naar het Jakarta van de onbegrensde mogelijkheden te gaan. Eenmaal in Jakarta blijken vervolgens de mogelijkheden toch iets begrensder te zijn dan ze was voorgespiegeld. Een weg terug is er niet meer en Jakarta wordt met het jaar voller.
Over corruptie gesproken: Anton vertelt n.a.v. de naam van het vliegveld over Soekarno en diens opvolger Soeharto. Waar je de afgelopen uren ook ging, zat of stond, je hebt, volgens Anton, zonder het te weten, bijgedragen aan de rijkdommen van Soeharto. Waarschijnlijk was het vliegtuig en de luchtvaartmaatschappij waarmee je vloog van Soeharto. De taxi die je naar het hotel brengt is van een vervoersmaatschappij van Soeharto. Het hotel waar je eventueel zou gaan overnachten in Jakarta was waarschijnlijk van Soeharto. Als je daar je handen zou gaan wassen zou je gebruik maken van de waterleidingmaatschappij die eigendom is van de dochter van Soeharto. De sigaret die je opsteekt wordt gemaakt in een van Soeharto's vele fabrieken. M.a.w. wat je ook doet in Indonesië, je draagt bij aan de rijkdom van Soeharto en zijn familie.
Pas tegen de avond zijn we in Bandung. We gaan vroeg naar bed, het was een vermoeiende dag. Terwijl ik op mijn rug liggend, naar het plafond staar zie ik ook hier weer die pijl op het plafond. Een rode pijl, met in vette letters er naast het woord 'QIBLAT'. Dagenlang heb ik gedacht dat het de richting aangaf van de dichtstbijzijnde nooduitgang. Aangezien de pijl hier naar de blinde eindmuur van het hotel wijst, heb ik deze stelling vandaag moeten verwerpen. Navraag leerde vanavond dat de pijl t.b.v. het gebed van de Islamieten de richting van Mekka aangeeft. Vandaar dus ook het kleedje dat ik als sierraad op de TV ook nogal fors uitgevallen vond.
Ik ga slapen, ik ben moe. Hoeveel graden zou je maximaal mogen afwijken wil je nog enige kans op verhoring van je gebeden hebben, vraag ik me nog af voor ik in slaap val.