We konden uitslapen, dacht ik. Ik wou dat de plaatselijke Imam eens ging uitslapen. Om zes uur begint het blikken gejank weer. Allah is groot en mijn oordoppen zijn te klein. Slapen zit er niet meer in.
Nou lag ik toch al niet zo lekker meer. Op mijn heupen kun je bijna de afstand van de latten van de lattenbodem uittekenen. Dit mag dan het land van het natuurrubber zijn, een latexmatras voor deze tweepersoons suite zit er niet aan.
Kleine smalle bootjes onderhouden een continue veerdienst tussen dit strand en het strand aan de overkant van de baai. De smalle bootjes worden overeind gehouden door twee, aan dwarsstokken vastgebonden, holle bamboebuizen op anderhalve meter links en rechts van het bootje. We kiezen er lukraak eentje uit. De eigenaar is van het opdringerige type dat denkt dat hij toeristen moet overdonderen met veel praatjes. Wat dat betreft is hij anders dan de Indonesiërs die we tot dusver hebben ontmoet.
'Sorry I do not speak English so little. What is your name?'
We zeggen onze naam en vragen naar de prijs.
We komen een prijs overeen en stappen behoedzaam in het wiebelende bootje. Als we eenmaal zijn ingestapt is het opeens niet zo wiebelig meer. We leggen zoveel gewicht in de schaal dat we meteen muurvast aan de grond zitten.
'No problem', roept de man nog steeds enthousiast.
Als vorsten zitten we achter elkaar in het bootje te wachten op de dingen die gebeuren gaan. Maar er gebeurt niet zo veel. Met alle macht probeert de praatjesmaker zijn bootje vlot te duwen. Zelfs met behulp van een collega lukt het hem niet. Opeens heeft hij heel wat minder praatjes. Het is zijn eer te na om ons aanbod om uit te stappen aan te nemen.
'Oh no, no problem. We wait wave.'
Hij heeft zich duidelijk op ons gewicht verkeken. Na tien minuten en verscheidene waves zitten we nog veel vaster in het zand weggezakt dan toen we instapten. Inmiddels staan er al vijf mensen achter het bootje. Ze wrikken en duwen zich een hernia, maar ze krijgen de zaak niet vlot. De man en zijn maatje hebben het zweet in dikke druppels op het voorhoofd staan. Als ik nogmaals mijn aanbod om uit te stappen herhaal knikken ze alle vijf van ja.
'Oh thank you, yes!'
Met zijn allen tillen we de boot uit het zand. Nadat we een eindje verderop aan boord zijn geklauterd, gaat de lange stang met de schroef in het water en scheuren we weg. Als we eenmaal varen begint hij weer.
'I speak not English so little. I am so sorry.'
Ik laat hem maar lullen en heb moeite genoeg om mijn camera droog te houden als we door de branding varen. Afgezien van de vertraagde start, is het geld snel verdiend. Binnen vijf minuten schuift de boot aan de overkant het steile strand op.
Als we onze handdoeken op het strandje uitspreiden staat er gelijk een mannetje naast ons.
'You buy snack, you want drink?'
'No, thank you.'
Hoe vaak zou ik het de afgelopen weken hebben gezegd en hoe vaak zal ik het de komende dagen nog zeggen.
'You want……'
'No, thank you. Tidak, terima kasih.'
Dat helpt. Dan maar bij Jelly proberen.
'You want……'
Die leert snel:
'Tidak, terima kasih.'
Het mannetje kijkt zeer spijtig.
'Perhaps later?'
'Yes', zeg ik, 'perhaps later.'
Dat is stom. Perhaps later, werkt wel als je langs de mandarijnen op de markt in Bandung loopt of als je direct daarna de bus in stapt. Hier werkt het dus niet. Het mannetje installeert zich met zijn aluminium kist met snacks naast ons. En nu maar wachten tot het perhaps later wordt. We doen net of hij er niet is. Het is wel zielig, maar aan de andere kant kun je hem moeilijk als een hond wegjagen. Waarschijnlijk waren we veel eerder van hem af geweest als we gewoon voor de flauwekul twee snacks van hem hadden gekocht, maar dat kan nu niet meer. Uw 'ja' zal 'ja', en uw 'neen' zal 'neen' zijn, zo is mij vanaf mijn jonge jaren voorgehouden. Als we na een half uur onze meegebrachte koekjes en de fles water uit ons rugzakje halen staat hij op en loopt hij verder.
Het is grappig dat het me vandaag pas voor het eerst opvalt. Ik heb me zodanig op mijn handdoek geïnstalleerd dat ik voor mijn idee steeds meer schaduw zou moeten gaan krijgen van de bomen naast me. Merkwaardig genoeg lig ik al gauw weer in de zon. Nog een keer verkassen, maar even later, tegen de verwachting in, weer in de zon. Met verbazing realiseer ik me wat er mis is. Bijna een week geleden hebben we op Sumatra de evenaar gekruist en sindsdien draait de zon 'de andere kant op'. De zon staat hier weliswaar dermate hoog aan de hemel dat hij wel een verticale boog, maar nauwelijks een cirkel rondom maakt, maar toch is het verrassend om te ontdekken. Ik neem me voor (maar zal het helaas toch weer vergeten) om te kijken of de draaikolk van het weglopende water in de wastafel, ook inderdaad de andere kant op draait, dan in Nederland.
Van zwemmen komt niks. De onderstroom is zo sterk dat je al onderuit gaat als je tot je knieën door de golven gaat.
We gaan maar niet meer met het bootje terug maar lopen langs de baai naar het hotel.
's Avonds gaan we eten in een visrestaurant aan de baai, aan de andere kant van het hotel. Het interieur lijkt mee te dingen om de prijs voor het ongezelligste restaurant ter wereld. Lange brede kale tafels met ongemakkelijke houten banken. Alleen maar felle neonverlichting en helemaal niets aan de wand. De werkplaats van mijn garagebedrijf ziet er nog gezelliger uit.
Buiten staan blauwe plastic kratten met verschillende soorten vis: grote gamba's, steurgarnalen, inktvis, tonijn, enz. In de hoek wordt door de mannen gekookt; de vrouwen hangen, perfect passend in deze ambiance, broodonverschillig in een hoek te kletsen. De enige die vriendelijk lacht is het jongetje dat aan de kant van de keuken grote hoeveelheden sambal staat te stampen.
We zitten nog maar net of een van de dames komt vragen wat het zal zijn. Dat weten we nog niet want we hebben nog geen menukaart gekregen. Nou, die krijgen we ook niet want die is er niet. Als je hier binnen komt heb je uiteraard eerst buiten uit de blauwe bakken je keuze gemaakt. Zo werkt dat. Wij dus maar weer naar buiten.
Het worden de gamba's. We krijgen elk een halve kilo gamba's en dat voor het luttele bedrag van €2,50. Ik geloof dat ik nog nooit zo lekker heb gegeten.
Achter mij is vlak na ons een familie Chinezen neergestreken, luidruchtig zoals altijd. Met veel geschreeuw, gerochel en gesmak legen ze de ene schaal na de andere. Telkens als ze weer een schaal leeg hebben draait één van het stel zich om en zet het op onze tafel. Kokosnoot leeg? Op onze tafel! Als het stukje tafel naast ons vol staat zetten ze de borden en schalen gewoon naast me op mijn bankje. Op het laatst zijn we helemaal ingebouwd door de vuile vaat van de buren. In Nederland had je allang geprotesteerd, hier natuurlijk niet. Als we weg gaan is onze tafel één grote puinhoop van colaflesjes, ketjapflessen, vuile borden en bestek, halve kokosnoten, stinkende durians, afgekloven vissen, garnalenkoppen en vruchtenschillen. Allemaal van de buren. Geweldig!