Als we met onze wajangpoppen onder de arm de poppenmakerij in Yogyakarta verlaten komt er een jongeman naast ons lopen.
'Hello!' 'Hello.'
'You are from Holland?' 'Yes we are from Holland.'
'If you are from Holland then you are my uncle.'
My uncle? Waar slaat dat nou op? We negeren de man in eerste instantie en willen de straat oversteken. Als een volleerd oversteekmoeder-met-spiegelei helpt hij ons totaal overbodig met oversteken en blijft vervolgens steeds naast ons lopen.
'Where do you go?'
'We don't know yet', lijkt me het veiligst.
'Perhaps we go to Kraton?'
'No, we go there tomorrow', verspreek ik me.
'Have you been to the water castle?'
'No, not yet.'
'Ah, then we first go to the water castle,
and after that we can take a horse cart to Kota Gede.'
'Kota Gede?'
'Yes, the silver village, very beautiful silver work.'
'No, we don't want to see the silver work.'
'OK, we go to the water castle and then we can go to the bird market.'
Hoezo, we dit en we dat? Ik probeer de man op een nette manier kwijt te raken maar niets lukt.
'We can go there ourselves.'
'Oh no, I will show you, no problem.'
'I am always very sad if I see people from Holland go the wrong way'
Hij wordt altijd zo verdrietig als hij Nederlanders de verkeerde kant op ziet lopen. Hij loopt dus gewoon met ons mee.
Is dit zo'n handige jongen die ons naar zijn oom, de zilversmid, wil brengen zodat hij daar dan weer een paar centen voor krijgt? Of is dit zo'n geval waar onze Javaanse gids Anton het laatst over had, toen hij vertelde over de manieren en gewoontes van de Javanen. Indonesiërs zien niet graag mensen alleen staan. Ze voelen zich dan geroepen om zo iemand gezelschap te houden. Is dat het wat deze man motiveert om zijn hele middag aan ons op te offeren? Misschien dus wel goed bedoeld, maar niettemin net zo lastig.
De man voert ons mee over de vogelmarkt. Hier word je niet echt vrolijk van. Een gekortwiekte arend zit met zijn grote gele klauw vastgebonden aan de bamboe tralie van de kooi waarop hij zit. Afgezien van de vele kooitjes met vogeltjes zijn er ook heel andere dieren te koop. Slangen, uilen, een civetkat en een paar nachtdier-achtige jonge knuffels, waarvan ik de naam niet weet. De vogeltjes zijn echter de grootste handel. Het vogeltje dat het langst kan zingen is het duurst. De deelnemers aan de wie-zingt-het-langst wedstrijden zijn wel 1 miljoen Roepia's waard!
We komen uiteindelijk bij het waterkasteel, althans wat er nog van over is. Onze gids-tegen-wil-en-dank legt uit dat de wijken links en rechts van ons vroeger één groot watergebied waren. Door een tunnel, die vroeger dus onder dat water doorging, lopen we naar de Taman Sari, een soort paleistuin met veel vervallen, en ook een paar, weer gerestaureerde gebouwen. De sultan vermaakte zich hier uitstekend, en wel, inderdaad, ook hier weer met de vrouwen. De kamers waar dit gebeurde werden gebouwd rond 1760 en waren strikt geheim. Uit angst voor het verklappen van de locatie, werd de architect zelfs na de bouw door de sultan geëxecuteerd.
Ik moet denken aan het verhaal van de sultan met zijn twee keer twaalf vrouwen in het paleizencomplex van Pemantang Purba op Sumatra, een dikke week geleden. Misschien heb ik het allemaal weer verkeerd begrepen, maar seant detail is het verschil in selectie van de uitverkoren vrouw. Bij de sultan en zijn twee maal twaalf vrouwen in het houten huis vlak bij Samosir, was het de keuze van de sultan wie er voor de nacht was uitverkoren. Hier hebben de vrouwen het dus zelf in de hand. Voel je niet zo veel voor het uitstapje dan zorg je dat je niet als eerste bij de bloem bent. Sneu trouwens, als je wel graag wilt, maar je kunt niet goed zwemmen.
Onze 'gids' vraagt of we nu al een paardenkar willen. Wat is wijsheid? We willen van de man af, maar hoe? We bedenken plotseling dat we eerst wat willen eten. Oh, wat hebben wij opeens een honger. Sorry, beste man, maar wij willen nu direct wat eten, dus is het misschien het beste dat we …… OK, prima idee! Hij weet wel een goed restaurant. Nu is het genoeg geweest. Zo beleefd mogelijk vertel ik hem dat we nu liever onze eigen weg gaan. Zonder hem? Inderdaad, zonder u! We hebben hem inmiddels 6000 Roepia gegeven voor de, ofschoon ongevraagde, maar desalniettemin bewezen diensten en we bedanken hem zo hartelijk mogelijk. Maar waarom dan? Hij kijkt ons onbegrijpend aan. Ik verzin dat we, bij nader inzien, eerst onze zojuist gekochte wajangpoppen naar het hotel willen brengen. Aha, dan zal hij even twee betjaks voor ons regelen. Nee, nee, dat hoeft niet want we willen lopen. Ook goed, dan loopt hij even mee om de weg te wijzen. Hij zei het toch al, hij wordt altijd zo verdrietig als hij een Nederlander, en al helemaal zijn oom, de verkeerde kant op ziet lopen. Nu is het helemaal afgelopen. Dank u! Terima kasih! Ik steek mijn hand uit om afscheid te nemen en teleurgesteld schudt hij onze handen.
'So, you do not want to visit Kraton today?'
'No, no', roepen we samen in koor en ditmaal zijn we zo verstandig om er niet bij te zeggen dat we dat morgen gaan doen.
Zo, daar zijn we eindelijk van af. We zwaaien nog schijnheilig vriendschappelijk naar de man. Hij steekt zijn hand op en vlak voor hij oversteekt horen we hem nog roepen:
'See you at the Kraton tomorrow!'