Het idee om met het openbaar vervoer, en nog wel met de bemo, naar het centrum van Bandung te gaan blijkt een voltreffer. Dat wil zeggen, als éénmalig toeristisch avontuur. Als je elke dag op deze manier naar je werk op en neer moet denk je er waarschijnlijk wel anders over.
Het derde minibusje dat we aanhouden blijkt enigszins in de door ons beoogde buurt te komen. De eerste twee chauffeurs hebben resoluut het hoofd geschud toen we zeiden waar we heen wilden. Heftig gesticulerend hebben ze ons geprobeerd duidelijk te maken dat zij een heel andere kant uit gingen. Deze lijkt goed, hoewel we, als ik het goed begrijp, nog ergens moeten overstappen op iets anders. Hoe en wat is niet duidelijk.
We gaan toch een heel andere kant op dan ik in gedachten had. Met de kilometer wordt het krapper in het minibusje. Ingeblikt bonken we door de straten van Bandung. Het regent nog steeds en zo te zien rijden we nu dwars door een markt. We hangen met zijn allen tegen elkaar aan en ik zit zo'n beetje op de schoot van de wildvreemde mevrouw naast me. Helaas kan ik uit geen enkel raampje naar buiten kijken. Mijn tunnelview eindigt in een stukje open lucht onder de vijf plastic tassen van een vrouw in de deuropening. Wat ik voorbij zie komen geeft steeds een wisselend beeld: groente, modderpoelen, visafval, kapotte kistjes, levende kippen, dooie kippen. Het is jammer dat ik geen centimeter armslag heb om zelfs maar mijn camera te voorschijn te halen, laat staan een foto te maken. Het is ook jammer dat we de omgeving niet even lopend kunnen verkennen. Hoewel, het regent nog steeds en zo te zien hadden we dan beter laarzen (of zoals de mensen hier, teenslippers) aan kunnen trekken.
We willen eerst naar het in onze reisgids genoemde saté-gebouw. De twee vrouwen tegenover ons hebben ons al duidelijk gemaakt dat we dan straks moeten overstappen. Ze hebben ook al bemiddeld in het kopen van de kaartjes en als we uitstappen wijzen ze nog even precies de plaats aan waar ons volgend busje zou moeten vertrekken.
Uiteindelijk stoppen we inderdaad voor het saté-gebouw. Het Gedung Sate is een voorbeeld van koloniale bouwstijl. Het wordt zo genoemd, omdat de spies-met-bollen midden op het dak zou lijken op een stokje saté. Een groots welvarend ogend gebouw, maar verder van de buitenkant niets bijzonders. Hiervandaan lopen we naar het oude centrum. Versterkt nog door de regen is het een trieste aanblik. Rolluiken ontsieren de toch al zo grauwe gevels. De koloniale glorie van weleer is in Bandung nog maar met moeite te herkennen. Af en toe wijzen we elkaar op de restanten van het verleden: Café Gooiland en de Hollandse bakkerij 'Amsterdam' met zijn bokkenpoten en pindarotsjes.
Wij hadden voor ons avondmaal iets uitgebreiders in gedachten. Op zijn minst één keer willen we het proberen: een Padang restaurant.
Padang restaurants zijn herkenbaar aan de stapels bordjes en schaaltjes met kleine gerechten die in de etalage, de keuken eigenlijk, staan uitgestald. Het heeft geen zin je keuze voor een gerecht kenbaar te maken. Iedereen krijgt namelijk dezelfde hoeveelheid gerechten geserveerd en elke klant bepaalt voor zichzelf waarvan hij eet en wat hij laat staan.
We zitten nog maar net of de hele tafel wordt volgezet met schaaltjes met hapjes. We worden volledig ingebouwd door vis, vlees, kip, verschillende soepen, groentegerechten en ondefinieerbare gefrituurde ballen. Zoals het hoort bij de Padang gerechten is de rijst warm en voor de rest is alles koud. We krijgen zoveel thee als we willen, en dat is vrij veel. De meeste gerechten zijn namelijk nogal pittig, maar gelukkig komt het jongetje steeds op tijd langs om de grote pullen bij te vullen.
Zoals gezegd, alle gerechten worden ongevraagd op je tafel gezet. Je betaalt alleen wat je hebt opgegeten, met dien verstande dat elk bakje dat is 'aangevreten', ook al heb je er maar een klein hapje van gehad, op de rekening komt. Had je er maar af moeten blijven. De eieren, de hele vis-van-een-onbekend-merk, een zeer agressief ogend rood prutje en een schaaltje met grote oliebolachtige ballen kunnen wat ons betreft zo weer retour en naar de volgende klant.
[Moet kunnen: even een uitstapje van de eettafel naar het toilet. Na de grote boodschap ga je als Islamiet niet, zoals die belachelijke westerse toeristen dat doen, proberen met papier de zaak schoon te vegen - of, zoals Theo Maassen het formuleerde 'uitsmeren'. In de grote betonnen bak, of in de emmer, naast het hurktoilet ligt altijd een klein schepemmertje. Hiermee gooi je een hoeveelheid water in de goede richting en veeg je tegelijk met je linkerhand je gat schoon. Ik heb het, door omstandigheden ter plekke gedwongen, een paar keer geprobeerd en ik moet zeggen, oefening baart kunst. Het is voor mij overigens nog steeds een raadsel hoe je dit kunstje flikt zonder je hele broek en onderkant van je shirt drijfnat te krijgen, maar misschien heb ik het steeds te grondig aangepakt. De eerste keren had ik het gevoel dat iedereen aan mijn natte kont zou kunnen zien dat ik zojuist weer even onhandig (lees linkshandig) bezig was geweest. Misschien is het wel een goede manier al ben ik wel blij dat niet iedereen bij ons thuis op het toilet er zo'n waterballet van maakt als ik op de Indonesische toiletten tot nu toe.]
Laatst vroeg ik, wijzend op zijn lamme beentje, onze gehandicapte gids Anton hoe het toiletprobleem opgelost moet worden als je als Islamiet door het leven moet met kinderverlamming aan je linkerarm. Hij moest erg lachen en zei:
'Then you will have to find a way!'