Petra 1
We gaan niet lopend door 'de Siq', maar we scharen ons onder de bejaarde, of soms alleen maar luie, toeristen die de anderhalve kilometer tot de schatkamer met een paard-en-wagentje afleggen.
Jelly sukkelt nog steeds met haar knie en vooral de off the road trajecten geven problemen.
Naïm heeft ons gisteravond nog uitvoerig de route en de mogelijkheden tot vervoer uitgelegd en het geheel zelfs nog op de papieren placemat met een plattegrond van de omgeving geïllustreerd. Eenmaal voorbij de zgn. Schatkamer zijn er een paar opties. Voor de echte die hards is er de uitdaging van het Hoge Altaar en langs de andere kant kun je, ook omhoog, naar een attractie die bekend staat als het Klooster. Voor het eerste stuk kun je dan nog kiezen tussen het bergtraject langs de Koningsgraven, maar je kunt ook vlak onderlangs. Nadat Naïm bij elk stukje nog even de looptijd en het aantal steps had geschreven kwam het goede nieuws: voor een handvol dinars kan de hele klim naar boven ook op een ezel worden ondernomen. We zijn er uit: klooster, onderlangs en daarna de ezel.
Mohammed heeft de vaart er zo in dat zelfs de snelste sluitertijd op mijn camera niet toereikend lijkt om onderweg een foto te maken. Het wegdek is letterlijk uit het jaar nul. Zo'n 100 jaar voor C. zijn de Nabateeërs begonnen met de eerste bouwwerken in Petra. Net als in Jerash, een paar dagen geleden, zie je op het originele plaveisel de 2000 jaar oude karrensporen diep in de stenen uitgesleten.
De vele wandelaars die we inhalen schieten aan de kant en schudden terecht verontwaardigd het hoofd. Ik bespeur in hun blikken ook een meewarigheid: Dat zullen wel weer van die Amerikanen zijn die in een week het hele Midden-Oosten moeten doen.
Op sommige plaatsen is de Siq wat breder, maar om de spanning op te voeren is de kloof aan het eind nog eens extra smal. Mohammed, onze gewiekste menner, denkt dat we misschien beter 100 meter voor het einde zouden kunnen uitstappen. Het allerlaatste stukje is maar een paar meter breed. Als je het laatste stukje loopt, dan kun je volgens Mohammed zelf bepalen wanneer je de tijd rijp acht om gedoseerd het beeld van de Schatkamer door de spleet te laten verschijnen. In eerste instantie had ik de indruk dat het ventje er alleen maar op uit was om weer zo snel mogelijk zijn volgende vrachtje bij de ingang van de Siq op te halen, maar als we zijn uitgestapt moet ik toegeven dat hij toch een punt heeft.
Nu zien we ook pas het waterkanaal in de wand waar Naïm het gisteravond nog over had. Vroeger werd hierdoor het water voor de stad aangevoerd, tegenwoordig komt het van de andere kant, uit Wadi Musa. Het watermanagement is überhaupt al enigszins problematisch in en om Petra. Een paar jaar geleden is de rivier die iets verderop nu alleen nog maar als zodanig te herkennen is aan de droge bedding, zo erg overstroomd dat in een kwestie van minuten het water metershoog in de nauwe Siq kwam te staan. Een paar Franse toeristen zijn hierbij verdronken. Ik kijk eens bij de steile wanden omhoog en realiseer me dat je inderdaad geen kant op kunt.
Bij elke stap die we doen krijgen we meer te zien van het overweldigende bouwwerk aan de overkant van de open ruimte. Dan, als we uit de spleet komen, staan we opeens ook zelf in het felle licht tussen de toeristen op het plein. Een baring. Een openbaring. Voor dat er zo veel mensen staan is het nog vrij stil, valt me op. Het lijkt wel alsof iedereen sprakeloos is bij het aanschouwen van het indrukwekkende decor aan de overkant.
Ik ben de trappen opgelopen en sta in de duisternis van een enorm vertrek te turen. Hoogte, diepte en breedte al gauw ter grootte van een gemiddelde eengezinswoning. De uitgebeitelde wanden zijn zo strak dat ze zonder Alebastine-vuller behangen zouden kunnen worden. In het beter verlichte voorportaal zie je dezelfde schitterend gekleurde marmering van de nerven van de rotsen overgaan van de wand in het plafond. Met het verstrijken van de tijd, en dus de stand van de zon, lijken de witte, gele en bruine aderen telkens weer een andere schakering te vormen in de steenrode grondkleur.
Hoewel ik normaal gesproken vrij snel ben uitgekeken op architectonische hoogstandjes, is dit de plek om even voor te gaan zitten, en dat doen we dan ook.
Bij een Borobudur of een Tah Mahal kun je nog bedenken dat, als je maar tijd, geld en manuren genoeg investeert - en je zorgt dat jouw ontwerp in esthetisch opzicht de belendende percelen ontstijgt - dan kan ik me nog voorstellen hoe zoiets geweldigs ontstaat. Het totstandkomen van het fenomeen pal voor ons gaat echter mijn voorstellingsvermogen te boven. Wat heeft zich hier afgespeeld? Honderden mannen beginnen op een goede dag, uiteraard volgens een vooropgezet plan, te beitelen? Ik ben geen beeldhouwer, maar het lijkt me een open deur intrappen om te stellen dat wat er afgebeiteld is er niet meer aan kan. Ik heb thuis al aardig wat DHZ-klusjes met succes afgerond. Ik heb inmiddels ook wel een aantal blunders op mijn naam staan, maar hoe groot de catastrofe ook was, het was altijd weer te herstellen. Hier niet dus. Hoe hebben mensenhanden dit 2000 jaar geleden met de betrekkelijk primitieve gereedschappen van toen voor elkaar gekregen?
De pilaren van nu bestaan uit segmenten, maar als Naïm de tekeningen van David Roberts laat zien, dan zie je op die 'momentopname' van zo rond 1840 dat de zuilen in brokken op de voorgrond liggen. Ze zijn, zoals ze er nu bij staan, dus gerestaureerd en dan zit er uiteraard niets anders op dan er stukken tussen te zetten.
Nu pas realiseer ik me hoe ook deze geweldige plek op de wereld weer wordt verziekt door het groot aantal toeristen, ons inbegrepen. Waar je om je heen kijkt staan mensen te fotograferen of te filmen. Voor ons liggen twee kamelen waarvan de ene die zojuist een oud dametje tussen zijn bulten heeft ontvangen met twee steile kantelingen in de benen komt. Het tengere vrouwtje wordt bijna gelanceerd en twee reisgenoten weten haar nog net in het zadel te houden.
Pas na een half uur zien we de eerste wandelaars van onze groep uit de spleet tevoorschijn komen.
De straat met de zuilen is duidelijk ooit de Kalverstraat van het oude Petra geweest. Net als in Jerash kun je je met enige fantasie wel voorstellen hoe het er hier ooit moet hebben uitgezien. We lopen langs de restanten van een paleis, een tempel, een bad en marktplaatsen. Ik maak een foto van de kinderen die steentjes verkopen en ook een van het verdrietige ezeltje dat naast een dorre struik staat te peinzen. Daarna toch maar weer een foto van die twee supereigenwijze snuiten van de kamelen die tegen de rotswand liggen. Om de tien meter moet ik me geweld aandoen niet opnieuw een foto van liggende of passerende kamelen te maken. Jelly heeft al eens gevraagd of de volgende expositie 'kamelen in Jordanië' gaat heten.
Dan komen er twee mannen op hun statige kamelen over het eeuwenoude pad tussen de zuilen aangeschommeld. Zo moet het er hier 2000 jaar geleden hebben uitgezien bedenk ik als ik toch weer automatisch mijn camera pak en wacht tot ze dichterbij komen. De kamelen zullen niet veranderd zijn en ik kan me ook voorstellen dat de kleding van de mannen aan weinig modegrillen onderhevig is geweest. De dekens waar ze op zitten zullen er toen ook wel zijn geweest. Ik constateer dat er in twintig eeuwen niets is veranderd aan deze twee mannen die op hun kamelen over de uitgesleten stenen van het oude centrum van Petra rijden.
Vlak nadat ik mijn foto heb gemaakt stoppen ze beide en pakt de ene man zijn mobieltje uit zijn borstzak en toetst een nummer in.
* Marguerite van Geldermalsen - Married to a Bedouin (2006), Ned vertaling: Ik woonde in een grot, Mourian (2006)